Geen werk, mooi werk

mijn wenkbrauw zit
al bijna in de haargrens
als ik u dat hoor zeggen

 

Franky kun je rustig een apart geval noemen.
Hij is net een paar weken 21 jaar, hij heeft geen diploma’s, geen werk en geen werkervaring.
Hij heeft wel een vriendin.
Elke dag wacht hij bij het hek van de school om haar op te halen.

Zijn moeder had gezegd dat hij liegend en bedriegend door het leven gaat.
Ze noemt haar zoon een ‘luie, manipulatieve klootzak’.
Als de rechters hem dat voorhouden, zegt Franky: ‘Dat is natuurlijk niet leuk.’
Maar de zorgen die er over hem zijn – zorgen van hier tot helemaal aan Tokio – zijn misplaatst, vindt hij.
Dat komt door zijn vriendin.
Dankzij zijn vriendin zal hij op het rechte pad blijven.

Als hij dat zegt, staren de rechters hem met grote ogen aan.
Een van de rechters: ‘U bedoelt uw vriendin van 14 jaar die al eens zwanger van u is geweest en toen abortus pleegde?’
Franky knikt: ‘Die ja. Ze is trouwens bijna 15.’

Hij had ingebroken bij een kennis van zijn vader.
Uit de woning had hij naar eigen zeggen speelgoed en een hoop troep gehaald, uit de schuur onder meer gereedschap, een lasapparaat, een werkbank, een slijpmachine, een boorstander, een tafelzaagmachine.
De Volkswagen Golf die er ook stond, had hij verpatst bij de sloop.
Had nog 150 euro opgeleverd.

Dit was niet alles.
In Muntendam had hij ingebroken in een woonvoorziening waar zijn vriendin verblijft.
Daar pikte hij geldkistjes en pinpassen met bijbehorende pincodes.
Met het gepinde geld deed hij boodschappen en verbleef hij een paar nachten bij Van der Valk.

Hij zegt:‘Het was steeds haar idee en ik was zo stom om het te doen.’
Wat ook meespeelde was dat hij het huis was uitgezet.
‘Ik kon nergens heen.’
Het was ook daarom dat hij de banden van de auto van zijn broer had lek gestoken.
‘Hij zou me helpen, maar hij trok de handen van me af.’
Verder zijn er nog wat vernielingen, wat diefstallen met braak, bedreigingen, een zware mishandeling.
Opgeteld: 18 misdrijven.

Franky wil wel een behandeling.
Hij wil dan wel leren, zegt hij, dat hij eerst moet nadenken en dan pas moet doen.
De rechters zeggen dat ze iets opmerkelijks hebben gelezen in het strafdossier.
‘U bent al vaak veroordeeld, ook door kinderrechters, u heeft een fors strafblad, bent inmiddels veelpleger (erkende status), maar u drinkt geen alcohol en u gebruikt ook geen drugs. Dat maakten we nog nooit mee.’
Franky glimlacht en zegt: ‘En ik rook ook niet.’

Hij heeft een hulpverlenende coach die laat weten dat hij al een tijdje niet door de politie is gebeld.
‘Dat is dus positief.’
De coach zegt ook: ‘Franky is een prima jongen, alleen we krijgen hem niet tussen de lijntjes.’

De coach: ‘Hij is meerderjarig, dus dwingen kunnen we hem niet.
Hij woont nu zelfstandig en eerlijk gezegd hoop ik dat dat misgaat zodat hij noodgedwongen bij ons komt. We houden een plek voor hem vrij.’
De hulpverlener geeft toe dat hulp verlenen aan Franky is als trekken aan een dood paard.
‘Maar we laten hem niet vallen, want dan is het hek van de dam.’

Rechters: ‘Wat gaat er gebeuren als de verkering uitgaat?’
Franky: ‘Dan blijf ik op het rechte pad.’

De officier van justitie noemt de verdachte een plaag voor de samenleving die een forse straf verdient.
Hij wil dat Franky zijn zelfstandige woonruimte opgeeft en onder de vleugels van de coach gaat wonen.
Doet hij dat niet, dan kost hem dat negen maanden celstraf.
Die maanden gelden daarom als voorwaardelijk.
Daarnaast is er de onvoorwaardelijke strafeis: een half jaar zitten.

De advocaat zegt dat het opleggen van straf in dit aparte geval niet zal helpen.
Hij snapt de aanklager overigens wel: de officier van justitie moet wat, voor het oog van de buitenwacht.
‘Maar ik pleit voor een tweede kans. Voor een laatste kans.’

Er zat deze week nog een apart geval in zittingszaal 14.
Het betreft een vrouw die niet in het echt Natasja heet, in Assen woont en over een paar dagen 40 wordt.
Zij genoot wel opleidingen, heeft werkervaring en had een baan.
Ze was administratief medewerkster van een bedrijf dat internationaal actief is in de scheepsbouw in Sappemeer.
Het ontslag was op staande voet.

Tussen januari 2007 en september 2011 zou zij geld van haar werkgever hebben verduisterd (gestolen).
Toen ze na vier jaren tegen de lamp liep, was de verduistering opgelopen tot bijna 150.000 euro.

De verdenking is dat ze bedrijfsgeld overmaakte op haar eigen rekening, soms duizenden euro’s per maand en dat ze aankopen deed met de pinpas van het bedrijf.
De bankpas lag met pincode in een zwart doosje in een van de lades van haar bureau.

Natasja zegt niet zo veel.
Bij de politie had ze het een klein beetje toegegeven.
In de rechtszaal antwoordt ze dat het wel zou kunnen, dat ze het niet meer weet en dan weer dat ze het niet heeft gedaan.
Een van de rechters: ‘Mijn wenkbrauw zit al bijna in de haargrens als ik u dat hoor zeggen.’

Een vraag was of het niet merkwaardig is dat een bedrijf in de scheepsbouw aankopen doet bij Vera Moda, We Men, Ici Paris en bezoeken brengt aan Sundays (zonnestudio)?
Dat een scheepsbouwbedrijf toch geen schoenen koopt bij Manfield in Assen?
En wat moet een scheepsbouwer met lingerie?

Wat ze toegeeft is goed voor 40.000 euro.
En de rest?
Ze zegt, zachtjes, dat de jongens van de werkvloer ook van het pasje gebruik maakten.
En dat de jongens, net als de directeur zelf trouwens, nooit bonnetjes hadden als ze de pas hadden gebruikt.

De rechters hadden gelezen dat Natasja aan haar vriend een bijzonder cadeau had gegeven: een feestje met een optreden van Mooi Wark.
Had haar 3400 euro gekost.
Ging daar het geld naar toe?
Naar dat soort dingen?
Ze zwijgt.

De strafzaak wordt, ook apart, niet afgerond.
De advocaat zegt dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om de financiële kant van de zaak te bestuderen.
Het Openbaar Ministerie had het dossier immers te laat bij hem afgeleverd.
Ook moet de advocaat – voor iets heel anders – over een uurtje al in de rechtbank van Assen zijn.
De strafzaak krijgt iets gehaasts, iets lelijks.
De rechters besluiten halverwege te stoppen om later verder te gaan.
Later is in dit geval: oktober (nog wel van dit jaar).

Rob Zijlstra

uitspraak Franky – 6 juli

Waarschuwingsschot

even na middernacht
kwamen ze twee
onvriendelijke mannen tegen

Elf en een half uur kijk en luister ik in de rechtszaal naar twee jongemannen die de keuze hebben gemaakt een crimineel leven te leven.
Ze zijn van Curaçao, ze zijn 22 en 27 jaar en al jaren hier.
De een heet Dennis, de ander Wouter.
Ze staan terecht omdat ze opgeteld en soms samen, zo’n 25 misdrijven zouden hebben gepleegd in Groningen en Assen.

Dennis heeft een strafblad dat nog niet heel omvangrijk is, maar volgens de rapporten is er bij hem sprake van een patroon van steeds gewelddadiger delicten.
Dennis glijdt af in de ene en klimt op in de andere wereld, kun je zeggen.
Het strafblad van Wouter is een boekwerk.
Ondanks dat hij nog maar 27 jaar is, heef hij al vele jaren in gevangenissen verprutst.
Over hem rapporteren deskundigen dat hij extreem zelfgenoegzaam is en tegelijkertijd achterdochtig en soms vijandig.

Wat blijft hangen na de lange strafzaak is het gemak waarmee de twee verdachten in dat criminele leven lijken te staan.
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat de Turkse maffia een prijs op het hoofd zet van een 22-jarige en dat die jarige dan een semi-automatisch vuurwapen aanschaft.
Om er waarschuwingsschoten mee te lossen, zegt hij.
Dat lijkt hem ook zo logisch als wat, want je laat je toch niet door de Turkse maffia neerknallen?

De man die moest worden gewaarschuwd verklaarde dat als hij zijn hoofd niet had weggedraaid, hij dood was geweest.
Nu is hij alleen maar doof aan het linkeroor, mogelijk voor altijd.
De vermeende maffia had na de schietpartij extra beveiliging aangevraagd bij de burgemeester van Groningen.

De misdrijven waar Dennis en Wouter zich voor moeten verantwoorden variëren.
Er zit een (elektrische) fietsendiefstal tussen, heling, bedreigingen, belediging (Wouter noemde een agent in burger een flikker), wapenbezit, mishandelingen, openlijk geweld, pogingen tot doodslag (aanvankelijk moord) en cocaïnehandel.

Wat ze kunnen ontkennen, ontkennen ze.
Als de vragen te lastig worden, wordt op advies van de advocaten een beroep gedaan op het zwijgrecht.

Het speelveld van de twee verdachten is volgens het Openbaar Ministerie het A-kwartier, de mooiste stadswijk in Groningen waar mensen wonen, waar middenstanders het hoofd boven water houden en waar – in het prostitutiegebied – de lokale overheid mensenhandel probeert tegen te gaan met een beleid van vergunningen.

Rechters tegen de twee verdachten: ‘Dus jullie zijn niet de drugsdealers van het A-kwartier?’
Dennis: ‘Nee, ik ga daar wel heen, maar dan voor de praatjes. Niet voor die drugsdingen.’
Dennis legt aan de rechters uit dat hij op straat vaak wordt aangehouden door de politie die hem voortdurend controleert.
Hij zou voldoen aan een signalement.
Dennis: ‘Maar rechters, er bestaan meer grote dikke zwarte negers. Ik ben niet de enigste.’ (Gronings voor enige).
Komt bij: ‘Ze vinden nooit wat, nooit drugs, nooit geld. Hoe dan dealer?’

Ook Wouter, die in het Groninger circuit De Lange zou worden genoemd, ontkent zowel zijn bijnaam als dat hij drugsdealer zou zijn.
Zegt: ‘Ik ben, ik was, een gebruiker. Ik gaf wel eens wat weg.’
Het Openbaar Ministerie heeft hem een tijdje in de gaten gehouden en vastgelegd dat hij in korte tijd 280 keer telefonisch contact had met Hendrik, 37 keer met Johanna, dat er 229 belcontacten zijn geweest met Guus.
Allemaal gebruikers.

Het onderzoek leverde een rekensom op waaruit zou moeten blijken dat Wouter opgeteld 5.700 bolletjes cocaïne aan 3.850 drugsgebruikers (veel dubbeltellingen) heeft verkocht wat hem bruto 57.500 euro heeft opgeleverd.
Nu de inkoop van cocaïne 34 euro per gram bedraagt, moet Wouter 18.480 euro winst hebben geboekt.
Klopt dat?
Hij laat het aan zijn advocaat over om duidelijk te maken dat het niet klopt.
De advocaat: ‘Het klopt nooit een keer.’

Aan het waarschuwingsschot van Dennis ging een steekpartij vooraf.
Dat was in mei vorig jaar.
Dennis en Wouter hingen en liepen hun dagelijkse rondjes door het A-kwartier.
Even na middernacht kwamen ze twee onvriendelijke mannen tegen.
Of andersom.
Er werd homo geroepen.
En ‘vieze Turk’.
Er volgde een handgemeen.
Er werden messen getrokken.
Er werden stekende bewegingen gemaakt.
Er werd afgeweerd.

Dennis en Wouter vertellen dat ze werden aangevallen.
Een van de twee mannen raakte gewond.
Een snee in de wang, een wond in de nek.
Wouter: ‘Ik heb wel geslagen. Die mannen zochten ruzie met mij. Ik had geen mes, wel een sleutelbos in de hand.’
De officier van justitie: ‘Niks sleutel, het was een mes.’
De advocaat noemt de steekverwondingen ‘beschadigingen van de huid’.

Het slachtoffer is eigenaar van een café in de rosse buurt waar Wouter niet meer mag komen.

Vijf dagen na het steekincident lijkt zich een situatie te herhalen, maar dan even na middernacht.
Weer komen ze die Turkse mannen tegen.
Dennis en Wouter zeggen dat ze weer zomaar werden aangevallen.
Dennis had al gehoord dat er – naar aanleiding van de steekpartij eerder – een prijs op zijn hoofd was gezet van 10.000 euro.
Tegen de rechters: ‘Ze hadden wapens, dat heb ik gezien. Als de Turkse maffia mij wil omleggen, dan verdedig ik mezelf. Toch? Daarom had ik dat wapen gekocht.’

Het schot dat hij afvuurde kan best vlakbij een hoofd zijn geweest, maar de kogel ging rechtsreeks de lucht in, verzekert Dennis.
‘Had ik hem willen neerschieten, dan had ik dat wel gedaan.’

Niet veel dagen na dit schot worden ze aangehouden, Wouter tijdens het boodschappen doen in de Albert Heijn.
Hij wist zijn wapen nog te verstoppen achter waren in een schap.
Zijn vriendin belde later Misdaad Anoniem om te vertellen dat er een vuurwapen in de supermarkt lag.
De burgemeester had toen al extra veiligheidsmaatregelen aangekondigd voor het A-kwartier.

Dennis hoort drie jaar celstraf tegen zich eisen (jaar voorwaardelijk).
Hij rookt nog wel zijn wiet, ook nu in de gevangenis verblijft, maar niet meer voor dertig euro per dag.
Zegt tegen de rechters: ’Ik ben aan het dimmen.’
Komt hij vrij, dan wordt hij kok, of nog liever begint hij een eigen bedrijf in de ICT.

Wouter met zijn recidive hoort vier jaar celstraf eisen (waarvan ook een jaar voorwaardelijk). Daarna moet hij zich verplicht laten onderzoeken en behandelen.
Dat kan nog eens twee jaren duren.
Hij wil geen hulp.
Want voor wat?
Zijn enige probleem is dat de politie een hekel aan hem heeft.
En dat kan hij zelf wel oplossen.

Rob Zijlstra

uitspraken op 2 juli

Geld & alcohol

het verdriet van Yanar
zit verwerkt in een
getatoeëerd traantje
onder zijn oog

 

Misschien is het wel waar dat in ieder mens van nature een paar gram slechtheid schuilt en dat daarom misdaad bestaat.
Zo er ook plastic in zee drijft.
Wie weet.
Met grotere stelligheid durf ik op te schrijven dat er misdaad onder ons is als gevolg van geld – te weinig of te veel – en – idem – alcohol.

Nooit zal ik de verdachte Peter vergeten, toen 31 jaar.
Bij de Spar had hij rode wijn gestolen, bij de iets verderop gelegen Gall&Gall aan het pleintje was hij gaan slaan om een fles whisky te bemachtigen.
Met de buit holde hij naar huis waar hij – eenmaal dronken – zijn geliefde in elkaar beukte.

Op een dag pikte zij dat niet meer en belde gebutst de politie.
Agenten kwamen opdraven en hielden Peter aan terwijl hij diep was weggezakt in zijn zoveelste roes.
Rond zijn bed een zee aan lege (en gestolen) drankflessen.

Peter was een man met vermogende ouders.
Om aangenaam te leven kreeg hij 15.000 euro per maand toegeschoven.
Daar hoefde hij niets voor te presteren.
Toen zijn ouders kwamen te overlijden, vloeide er een paar miljoen naar zijn bankrekening.
Waarom dan stelen met al dat geld, met al die euro’s?
Simpel: ’t was op.
Verbrast. Opgezopen. Verpist.
Peter had niets meer.
Zelfs de schadeclaim van Gall&Gall, twee tientjes, kon hij als ex-miljonair niet betalen.
De duurste afkick-klinieken in het buitenland had hij bezocht, daar waar ook benevelde wereldberoemdheden komen, maar geholpen had het niet.
Hij moest wel stelen.

Is het niet de drank, dan is het wel het geld.
Yanar (20) heeft nooit vermogende ouders gehad.
De ouders die hij wel had, zijn dood.
Oma voedde hem op.
Na een lange vlucht uit Azerbeidzjan belandde hij in Noord-Groningen, niet ver van waar ook dronken Peter was neergestreken.
Een stage bij de V&D in Groningen mislukte omdat hij er van veel te vroeg tot veel te laat en altijd te hard moest werken.

Yanar had 65 euro per week te besteden.
Dat was per week te weinig, daar hij met dit geld ook zijn dagelijkse jointjes moest financieren.
Aan de bewindvoerder had hij om opslag gevraagd, een beetje extra maar.
Over een week zou oma jarig zijn en hij wilde iets voor haar kopen.
De bewindvoerder hield voet bij stuk en gaf geen cent extra.
Yanar zei daarop boos dat hij dan op zijn eigen manier geld zou gaan halen.

Kort daarna, op nieuwjaarsdag, stapte hij met een muts over zijn hoofd en een vuurwapen in de linkerhand de frietkraam in Tuikwerd in Delfzijl binnen en eiste met trillende knieën het geld in de kassa op.
De doodgeschrokken frietmedewerkster drukte op het stille alarm en griste wat bankbiljetten bijeen.
Met honderd euro ging Yanar er vandoor.

Nee, zegt hij tegen de rechters, het is niet de manier.
Maar wat moest hij dan?
Hij had geldnood. Dus.
En nu?
Hij zegt: ‘Oma is teleurgesteld.’
En verder?
Hij wil met rust gelaten worden, zijn straf uitzitten en dan werken.
En als dat niet lukt gaat hij terug naar zijn land, dan wil hij weg van hier, van hier waar grote mensen alleen maar onzin praten.

Jawel.
Hij heeft wel aan dat meisje van de frietkraam gedacht.
Maar pas later.
Niet toen hij het ging doen, want dan denk je niet aan zoiets.
Nu wel.
De reclassering waarmee hij niets te maken wil hebben, schreef dat Yanar een kwetsbare jongeman is die al veel in zijn leven heeft moeten meemaken en de neiging heeft dat te overschreeuwen.
Het verdriet van Yanar zit verwerkt in een getatoeëerd traantje onder zijn oog.
Wat de officier van justitie betreft hoeft Yanar de komende tijd te werken noch oplossingen te verzinnen voor geldnood.
Hij eist vier jaar gevangenisstraf.

Hannes combineert geld en drank.
Hij steelt al jaren als gevolg van geldnood ten behoeve van drank.
Eens was hij goed voor twee flessen jenever per dag, tegenwoordig houdt hij het vooral bij bier en whisky.
Een dag voordat Yanar de frietkraam bezocht, keilde Hannes aan het Helperplein in Groningen een baksteen door de etalageruit van Gall&Gall (ja, die weer).
Hij was op dat moment al flink dronken.
De volgende ochtend was hij wakker geworden in Oude Pekela bij een kennis.
In het bed waarop hij lag, lagen ook zeven flessen whisky.
Toen de drank drie dagen later op was, zou hij hebben ingebroken in de woning van zijn moeder.
De buit: een fles bessenjenever en een krat Amstel.
Eis: vijftien maanden.

In de zalen van het strafrecht zijn wekelijks dit soort geld- en drankverhalen op te tekenen.
Soms, heel soms, gaat het andersom.
Zoals bij Max, een jongeman van dan 21 jaar uit Oezbekistan die deel uitmaakte van een criminele bende die zich in Oost-Groningen schuldig maakte aan moord (althans pogingen daartoe), vrijheidsberoving, drugshandel, bedreigingen en gewapende overvallen op hennepplantages.

Max zou betrokken zijn geweest bij een woningoverval (met hennep) in Froombosch.
Iemand had hem met zijn oorbellen door zijn oren herkend, op de plaats-delict was een muts gevonden met daarop zijn dna.
De rechtbank veroordeelde hem tot vier jaar.
Zijn rechters wilden niet weten dat bij hem sprake was van een ‘psychotisch beeld’, veroorzaakt door een ‘schizofreen proces’.

Er volgde hoger beroep.
In het Paleis van Justitie in Leeuwarden stelden de raadsheren ter plekke vast dat Max geen gaatjes in de oren had en ten aanzien van de muts met dna luidde het oordeel dat de muts er door anderen kan zijn neergelegd.
Vrijspraak.

Max had drie nachten in een politiecel doorgebracht.
Daarna had hij vijf nachten met beperkingen een huis van bewaring gezeten, gevolgd door nog eens 736 nachten zonder beperkingen, zij het wel opgesloten en van de vrijheid beroofd.
En dat ten onrechte.

De advocaten stelden voor om aan Max een schadevergoeding toe te kennen.
Voor de eerste acht dagen 105 euro per etmaal, voor de 736 daaropvolgende nachten tachtig euro.
En omdat bij Max dus wel sprake is van een ‘schizofreen proces’ zou het standaardtarief moeten worden verdubbeld.
Ook de kosten van het verzoek tot schadevergoeding – 550 euro – zou moeten worden vergoed.

De rechters dachten diep na en besloten toen de Staat der Nederlanden te verplichten om aan de jonge Oezbeek (op een tientje na) 120.000 euro te betalen.

Proost.

Rob Zijlstra

uitspraken op 25 juni

Garnalen op zee

Maar ik dacht direct,
wat doe je nou,
waar ben je mee bezig?

Schermafbeelding 2015-06-02 om 23.21.38Schermafbeelding 2015-06-02 om 23.21.38

Er bestaan mensen die leven in de trajecten van de hulpverlening.
Dat is een snoeihard leven zonder fleur en met als belangrijkste doel: overleven.
Het is een leven van tussen wal en schip en van vallen en opstaan.
Wie overleeft, sterft toch nog vaak een te vroege dood.

Junkies.

Hendrik (32) is er zo eentje.
Hij kan er zelf niet veel aan doen.
De officier van justitie zegt dat dit zo’n zaak is waarbij je je rot schrikt als je het dossier leest.
Dat je schrikt als je leest wat een narigheid een mens in zijn leven kan overkomen.
Hendrik heeft zwakjes uitgedrukt een klotejeugd gehad.
Buiten de rechtbank is dat niet heel populair, maar in de rechtszaal wordt er wel rekening mee gehouden.
Dat is maar beter ook.

De officier van justitie kan – op grond van wat Hendrik heeft gedaan – zo een paar jaar gevangenisstraf eisen.
Hardop vraagt hij zich af: ‘Waar hebben we als maatschappij meer aan, Hendrik ophokken of proberen het licht te zien aan het einde van een lange, donkere tunnel? Ik ga voor dat laatste en hoop dan maar dat hij de uitgestoken hand pakt.’

Vallen.
Opstaan.

Hendrik is een doorgewinterde man van de straat die al jaren op hardleerse wijze zo nu en dan uw spullen steelt.
Hij wil niet wat hij wel doet.
De laatste twee jaar ging het overigens redelijk goed met weinig strafbare feiten.
Tot december vorig jaar, toen sodemieterde Hendrik keihard onderuit.
Het was een paar dagen voor zijn verjaardag, hij was bij een kennis, een drugsdealer, geweest in de Oosterpoort in Groningen.
Die dealer had hem, bij wijze van presentje, een beetje cocaïne cadeau gegeven.
Hendrik had al een paar maanden niets gebruikt vanwege het traject waarin hij was verzeild, een zoveelste.

Hij liep over de Meeuwerderweg, richting Paddepoel, naar een andere kameraad.
Tegen de rechters: ‘Ik liep daar zonder bijbedoelingen.’
Rechters: ‘Maar wat gebeurde er?’
Hendrik: ‘Nou ja, ik zag die mevrouw daar staan, bij de bushalte. Ze had zo’n boodschappenwagentje op wieltjes. Mijn moeder heeft er ook zo eentje.’
Rechters: ‘En toen?’
Hendrik: ‘Ik was het niet van plan, maar het gebeurde gewoon. In een flits, in een fractie van een seconde. Ik weet het ook niet.’

Rechters: ‘U griste de portemonnee uit de handen van die mevrouw, u gaf haar een duw, zij viel op haar knieën, u rende weg. Is het zo gegaan?’
Hendrik: ‘Ja. Maar ik dacht direct, wat doe je nou, waar ben je mee bezig? Ik wilde teruggegaan, de portemonnee teruggeven. Maar toen lag ik dus al tegen de vlakte. Er zat een vent van 150 kilo bovenop mij. Hij gaf me nog twee vuistslagen tegen mijn harses aan. Dat vond ik wel wat ver gaan, ik bedoel, ik kon geen kant op.’

Rechters: ‘Dus u beroofde die mevrouw. Maar wilt u ons doen geloven dat dat een beetje per ongeluk kwam?’
Hendrik:‘Nee, uuh nou ja, het gebeurde zonder dat ik er bij stilstond.’
Rechters: ‘Dus u liep daar niet als een roofdier dat dacht, ik ga eens oude vrouwen beroven?’ Nee.

Hendrik zegt dat hij op het politiebureau erg is geschrokken toen hij hoorde hoe oud de mevrouw was: 87 jaar.
Tegen de rechters: ‘Ik ging door de grond, echt.’
Ook zegt hij: ‘Ik geloof overigens niet dat ik haar heb geduwd. Misschien dat ik haar met mijn schouder heb geraakt, maar zonder opzet. Ik ben immers niet gewelddadig.’

Hendrik denkt dat de cocaïne ermee te maken heeft.
Hij zegt dat de spijt die hij voelt echt gigantisch groot is.
Ik denk, hem zo te horen, dat hij het meent.
In april 2009 zat hij ook in zittingszaal 14, wegens een poging tot afpersing in de Flemingstraat.
In mijn oude aantekeningen staat: jongeman met rotjeugd, zegt dat-ie gigantisch veel spijt heeft.

Nog iets.
Hendrik had een fiets gepikt.
Nota bene de lokfiets van de politie.
Dat is een gemeen, maar doeltreffend trucje van de nationale politie om mannen als Hendrik te pakken.
Zo’n politielokfiets wordt op een plek neergezet waar veel fietsen worden gestolen, op de hotspots.

Hendrik tuinde er met open ogen in.
Bij de politie ging de blieper af en Hendrik kon zittend op het zadel worden aangehouden.
Hij zegt dat hij die dag de trein moest halen.
Tegen de rechters: ‘Nee, de fiets stond niet op slot. De politie zegt van wel? Nou , dat is niet waar. Er zat zo’n dikke Axa op, maar niet afgesloten. Ik had ook geen gereedschap bij me of zo. Ik kon zo wegfietsen.’

De fiets is bijzaak.

Niemand van de hulpverleningstrajecten begrijpt eigenlijk waarom Hendrik het heeft gedaan.
Het verging hem redelijk en dan ineens zomaar dit, een straatroof.
De rechters: ‘Eigenlijk is het niet vertrouwd dat u over straat loopt.’
Hendrik huilt niet, maar er glijden wel tranen uit zijn ogen.
Zucht: ‘Ik was van plan om mijn hele leven goed te doen.’

Zolang Hendrik nog leeft, zolang de cocaïne hem niet helemaal doet wegrotten, is er hoop.
Nadat die 150 kilo op hem was gaan zitten, was hij meegenomen door de politie die hem in de voorlopige hechtenis gooide. Na 65 dagen zitten kwam een plek beschikbaar in een kliniek.

Hendrik zelf ziet dwars door zijn spijt heen in de verte wel iets moois gloren.
Hij kent Benjamin die in de garnalen werkt en die wil hem helpen.
Hoewel hij eigenlijk hovenier is en niet van vis houdt, wil hij graag in de garnalen.
Dan kan hij de verleidelijke stad en onweerstaanbare kameraden mijden, want weet hij, voor garnalen moet je op de zee zijn.

De officier van justitie wil de samenleving dus een dienst bewijzen door Hendrik niet op te hokken (zijn woorden) maar door hem de helpende hand toe te steken om de kans dat hij nog eens in een flits misdadig wordt zo klein als mogelijk te maken.
De eis: 180 dagen celstraf waarvan 115 dagen voorwaardelijk.
Wat onvoorwaardelijk resteert, 65 dagen, is de tijd die hij al heeft vastgezeten.
Neemt de rechtbank de eis over, dan kan het behandeltraject in de kliniek zonder onderbreking worden voortgezet.

De advocaat zegt na de eis dat hij de neiging heeft om het heel kort te houden.
Hij heeft vervolgens toch nog 7 minuten en 27 seconden nodig om de rechters duidelijk te maken dat wat de officier van justitie voorstelt, zo gek nog niet is.

Rob Zijlstra

 

update – 11 juni 15 – uitspraak
Hendrik kan – zodra hij de kliniek mag verlaten – naar zee. De rechtbank heeft conform de eis uitspraak gedaan: 180 dagen waarvan 115 voorwaardelijk.

Gestreng gezag

de verdachten zeggen
dat ze een gerechtvaardigd belang
hebben gediend

 

Aan alles is te zien dat Stijn (45) weinig vertrouwen heeft in de strafrechter, tevens de voorzitter, die hem maar vragen blijft stellen.
Ik weet niet, zucht hij halverwege, of u zelf kinderen heeft, maar…
De rechter-voorzitter onderbreekt hem.
Gestreng: ‘Ik… stel hier de vragen.’
Niet veel later in het strafproces laat Stijn zich ontvallen dat hij blij is dat er nog twee andere rechters zitten.
De vragende voorzitter reageert als gebeten: ‘Wat wilt u daarmee zeggen?’

Wat Stijn niet weet – nooit eerder was hij in een rechtszaal – is dat er allerlei soorten rechters bestaan.
Er zijn rechters waar je geen peil op kunt trekken, wat ook de bedoeling is.
Volgens de regels moeten rechters tijdens het proces niet de indruk wekken al een mening te hebben.
Er bestaan rechters die rechttoe en rechtaan zijn en die verdachten het ongemakkelijke gevoel kunnen geven dat het oordeel al is geveld.
En zo bestaan er nog vijfhonderd andere soorten.

Er is één soort rechter die in het strafproces onder aan de ladder staat en altijd de klos is: dat is de eigen rechter.
En laat nou Stijn zo’n rechter zijn, net als Angela (40), de moeder van zijn dochter, die naast hem zit.
Ook zij is eigen rechter.
Daarom staan beide ouders terecht.

En dat, zal later een van de advocaten zeggen, is ook terecht.
De advocaat vindt zelfs de geëiste straffen niet raar: een taakstraf voor moeder Angela van 60 uur en voor vader Stijn eentje van 240 uur en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.
De advocaat: ‘De eisen zijn zo gek nog niet wanneer je kaal het strafdossier leest. Maar als u, rechters, de achtergronden kent, dan moet dat een matigend effect hebben op de strafeisen.’

Stijn en Angela hebben het 19-jarige vriendje van hun 17-jarige dochter een pak rammel gegeven.
Angela sloeg hem met haar vuisten gemeen en machteloos tegen het hoofd.
Zij: ’Mijn polsen deden er zeer van.’
Daarvoor had vader Stijn het vriendje al flink te grazen genomen door hem te schoppen en te slaan.
Hij: ’Waar ik hem maar raken kon.’
Na de afranseling hadden ze het vriendje in de auto gesleurd en meegenomen naar diens woning om geld op te halen.
Stijn en Angela kregen hulp van twee kennissen.
Ook zij staan terecht wegens openlijk geweld en vrijheidsberoving.
Het zijn mannen met eigen bedrijven en personeel in dienst.

Stijn had bij aanvang gezegd dat het hem logisch lijkt dat zitten in de rechtszaal niet iets is dat je wilt.
Hij zegt: ‘Had ik geweten dat dit er allemaal achterweg zou komen, dan had ik het niet gedaan. Ik heb ook spijt. Voor ons, maar zeker ook voor die jongen.’

Het ging zo.
Zijn dochter van 17 had gebeld, huilend en vanuit het ziekenhuis.
Ze had een kras in haar gezicht.
Melle – het vriendje – had haar mishandeld.
Ze had hem ook geld moeten geven.
Vader Stijn beveelt dat ze met haar moeder onmiddellijk naar de politie moet gaan om aangifte te doen.
Regelt hij de rest.
Toen vader Stijn door dochterlief werd gebeld waren er twee kennissen bij hem.
Een van hen: ‘Om te voorkomen dat het uit de hand zou lopen, gingen we mee.’

In twee auto’s waren ze, met behulp van de navigatie, richting de woning van Melle gereden.
Toen ze de eindbestemming bijna hadden bereikt, zagen ze hem fietsen.
Een van de kennissen sprong uit de auto, holde achter hem aan en schopte hem onderuit.
Stijn deed de rest.
Daarna sleurden ze hem gedrieën de auto in.

De officier van justitie: ‘Er is een getuige die het allemaal heeft gezien. Die ziet twee dikke auto’s over het fietspad rijden, ziet dan hoe drie volwassen kerels uit die auto’s komen, en ziet hoe ze een jongen op een fiets aftuigen en hem vervolgens meenemen. Toen de getuige een opmerking maakte, kreeg hij te horen dat-ie zich er niet mee moest bemoeien.’

Voor de aanklager is het duidelijke: vriendje Melle is in het openbaar geschopt en geslagen, dat moet openlijk geweld heten.
Vervolgens is hij tegen zijn zin meegenomen in een auto.
De rit duurt maar een minuut, maar kan juridisch gezien nog altijd vrijheidsberoving heten.
En er is sprake van een geschokte rechtsorde.
De twee kennissen horen elk een werkstraf van 180 uur en vier maanden voorwaardelijke celstraf eisen.

Een van de advocaten: ‘We gaan het niet goed praten. Ze vinden zelf ook dat het niet kan.’
De verdediger wijst erop dat de drie mannen direct naar het politiebureau zijn gegaan, uit eigen beweging, om te vertellen wat er was gebeurd.
‘Dat zegt toch ook iets.’

Waarom moest de dochter van 17 jaar huilen toen ze vanuit het ziekenhuis belde?
Dit verhaal blijft in de rechtszaal vaag.
Haar ouders kennen Melle al een jaar of drie.
Hij is zelfs eens met hen op vakantie geweest, maar Melle is niet de meest ideale schoonzoon.
Er is iets.
Na een jaar raakt Melle uit beeld, in ieder geval bij vader Stijn en moeder Angela.
Vanwege dat vage was de dochter een jaartje elders naar school gegaan, wat haar goed had gedaan.
Goed genoeg om naar Groningen terug te keren.
En toen was daar ineens dat huilende telefoontje.

De dochter van 17 jaar wil er niet over praten.
Ze had een baantje waar ze vier euro per uur verdiende.
Het geld ging naar Melle.
Toen wilde ze haar scooter verkopen om Melle nog meer geld te kunnen geven.
Er is iets met foto’s die op een telefoon staan.
Het nare idee is dat de dochter van 17 jaar werd afgeperst.

De officier van justitie zegt dat als een dochter van 17 onrecht wordt aangedaan, dat het dan goed is dat ouders voor het belang van het kind opkomen.
Maar, merkt ze op: ‘De verdachten zeggen dat ze een gerechtvaardigd belang hebben gediend met deze strafbare feiten. Maar dat is niet zo, dit was wild-west.’

Stijn krijgt het laatste woord en probeert het nog een keer.
Hij zegt tegen de rechters: ‘Kijk als je zelf kinderen hebt, dan… Ik bedoel… dan ga je naar bed en. En dan lig je maar te denken. Dan denk je van tja, wat had ik dan moeten doen?’
De rechter-voorzitter die de vragen stelt: ‘Dat wilde u nog even zeggen?’

Rob Zijlstra

 

update – 11 juni 2015 – uitspraken
Ze hadden lagere werkstraffen verwacht, maar de rechtbank maakte die verwachtingen niet waar. De rechters slaan daarmee de plank mis, vindt Stijn. Hij krijgt zijn 240 uur en (wel lager) 2 maand voorwaardelijke celstraf wegens openlijke geweldpleging en vrijheidsberoving in de lichtste vorm. Moeder Angela moet ook aan de bak: 60 uur wegens mishandeling. De twee andere mannen zijn ook tot 2 maanden voorwaardelijk celstraf veroordeeld in combinatie met werkstraffen van 150 en 180 uur. Hoger beroep wordt overwogen.

Meer voor mannen

soms heb je geen journalisten nodig
om het extra spannend te maken

 

Mannen knokken.
Dat hebben mannen altijd gedaan.
Eens was er een tijd dat het helemaal niet raar was dat er zo nu en dan – na bier – een stevig robbertje werd gevochten.
Na verloop van tijd zijn we dit volksgebruik minder gaan waarderen.
Net als stierenvechten zeg maar.

Vandaag de dag is de beschaving zover gevorderd dat een knokpartij wordt beschouwd al een misdaad en dat deelnemers eindigen in rechtszalen en zelfs achter tralies.
Vraag het maar aan Galliano (22) of aan Dirk (ook) uit Appingedam.

Er was bij Galliano een klein feestje, met bier, met wodka en spelletjes.
Wie het meeste staand kon drinken bijvoorbeeld.
Vriend Paul deed zo z’n best te winnen dat hij laveloos werd afgevoerd.
Dat deed de gezelligheid geen goed.
Toen Mark, een andere vriend, besloot Galliano eens flink de waarheid te vertellen (‘je vriendin is bang voor je’) ging het mis.
Mark en Galliano begaven zich als mannen naar de tuin om elkaar daar diep in de ogen te kijken.

Mark verklaart: ‘Ik werd plots bij de keel gepakt, kreeg twee vuistslagen op de ogen en viel op de grond. Daarna zag ik een voet aankomen en daarna werd alles zwart.’
Galliano: ‘We stonden daar en ineens probeerde hij mij, tot drie keer toe, een kopstoot te geven. Ik wilde weer naar binnen gaan, maar hij ging voor de deur staan, hield me tegen. Toen heb ik twee keer geslagen. Dat klopt. Maar ik heb hem niet tegen het hoofd geschopt. De agressie ging van hem uit.’

Een officier van justitie gelooft bijna altijd het slachtoffer.
Ook in dit geval.
Ze zegt: ‘Vriend Mark mag dan vervelende opmerkingen hebben gemaakt, irritant zijn geweest, het geeft verdachte niet het recht iemands schedel kapot te trappen.’
Wie vandaag de dag met geschoeide voet tegen een kwetsbaar lichaamsdeel schopt – het hoofd is zo’n deel – maakt zich per definitie schuldig aan een poging tot doodslag.
Ook al waren het gympies.

Galliano moest zich voor nog een akkefietje verantwoorden.
Hij had een cocaïne-dealer beroofd van diens tas met handel op de parkeerplaats bij de grote Albert Heijn.
Hij wil de rechters doen geloven dat hij dat deed omdat hij had vernomen dat de dealer ook drugs verkocht aan minderjarigen.
Daar wilde hij de handelaar op aanspreken en als bewijs dat het een heuse dealer betrof, had hij de drugs meegenomen.

De rechters: ‘Hoe logisch is dat?’
Galliano: ‘Tja, wie ben ik ook om zoiets te doen?’
De officier van justitie: ‘Hij heeft een deel van het bewijs ook nog eens zelf opgesnoven.’

Galliano laat weten dat hij – nu hij al zes maanden vastzit en vader is van een zoontje van 2 – goede voornemens heeft.
De officier van justitie vindt dat de verdachte die goede voornemens vooral moet blijven koesteren omdat er eerst moet worden afgerekend, vooral in de vorm van vergelding.
Ze eist vier jaar celstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk.

En dat allemaal in Appingedam, een stad die volgens een dagblad qua onveiligste gemeente des lands op plek 112 staat, net na Coevorden, net voor Haarlemmermeer (met Schiphol binnen de grenzen).

Dirk woont ook in Appingedam.
Op de dag dat hij 22 jaar is geworden en daarom bezoek heeft, gaat hij even snel naar het vlakbij gelegen café om shag te kopen.
Zijn vriendin gaat mee.
In het cafe is een feestje van mannen met stropdassen die allemaal een diploma hebben behaald. Wanneer Dirk en vriendin de zaak weer verlaten, probeert een stropdas haar in de billen te knijpen.
De andere gestropte heren fluiten haar hitsig na.

Zij zegt dat dat wel vaker voorkomt, maar Dirk is boos.
Thuis vertelt hij een tikkeltje opgefokt aan het verjaardagsbezoek wat er zojuist is gebeurd.
Het 15-jarige neefje – een man in wording – denkt zijn oom een goede dienst te bewijzen en gaat in z’n uppie en met gebalde vuisten naar het café.
Niet heel veel later keert hij terug, met een bebloed gezicht.
In een stoel raakt hij buiten bewustzijn.

Dirk tegen de rechters: ‘Ik had nog tegen hem gezegd dat ik geen trammelant wilde, hij is er heengegaan zonder dat ik dat wist.’
Terwijl vrouwen zich om het neefje bekommeren – hij wordt weggevoerd met een ambulance – gaan de mannen met opgestroopte mouwen richting het café vol stropdassen.
De officier van justitie rept van een ‘georganiseerde aanval’.
De knokpartij die volgde – zegt de aanklager – zette heel Appingedam op de kop.

Soms heb je geen journalisten nodig om het extra spannend te maken.

De officier van justitie vertelt dat het politieonderzoek dat is ingesteld, moeizaam is verlopen.
Er waren veel getuigen, maar veel getuigen zijn bang te praten, bang voor represailles.
Er zijn zelfs mensen, zegt nog steeds de aanklager, die zo bang zijn dat ze niet meer op stap durven in Appingedam.
Na twee moeizame maanden heeft de politie een paar verdachten op het oog: Dirk, een jongere broer van Dirk en het 15-jarige neefje.
Ze worden met arrestatieteams van de politie op een ochtend in alle vroegte gearresteerd.
Daarbij worden voordeuren met een stormram (de rammeneur, zeggen ze bij de politie in Groningen’) ingebeukt.
De reden: er spookten geruchten door Appingedam dat Dirk over wapens beschikte vanwege zijn lidmaatschap van Satudarah.
Er zijn geen wapens aangetroffen.

Dirk zegt tegen de rechters dat ‘ie een jongen een drukker heeft gegeven.
Bij de Scapino.
Alleen dat.
Meer niet.
Daarna is hij weggegaan.
Tegen de rechters: ‘Maar goed, ik heb mijn aandeel d’r in gehad, achteraf hartstikke dom.’
Hij overweegt Appingedam te verlaten om elders een nieuwe start te kunnen maken.

Om zich los te maken is hij alvast gestopt met zijn opleiding HBO-rechten.
De rechters: ‘Oh.’
Dirk: ‘Ik vond het saai, droge stof.’
De rechters: ‘In de boeken is het altijd saaier dan hier in de rechtszaal.’

De officier van justitie heeft geen indicaties van geschoeide voeten en kwalificeert het geknok als openlijke geweldpleging.
Het broertje van Dirk hoort bij de kinderrechter een werkstraf van 40 uur eisen.
Dirk zelf moet wat de officier van justitie betreft zestig dagen in een cel opknappen.
Het neefje kon niet komen vanwege de schoolexamens.
Hij moet later.

Mannen knokken.
Er zijn geen signalen die erop wijzen dat dit in de toekomst anders zal zijn.

Rob Zijlstra

update – 1 juni 2015 – uitspraak
De rechtbank heeft Dirk vrijgesproken. Er is geknokt door personen, maar het is onvoldoende duidelijk wie die personen zijn geweest. Daarom kan Dirk niet worden veroordeeld wegens openlijk geweld. Dat hij iemand een duw heeft gegeven, zegt hij zelf, mag zo wezen, niet duidelijk is tegen wie. Ofwel, ook hier vrijspraak. Het minderjarige broertje van Dirk is deels vrijgesproken. Wat rest is: 60 uur werkstraf waarvan de helft voorwaardelijk.

update – 4 juni 2015 – uitspraak
Galliano is door de rechtbank veroordeeld wegens een diefstal met geweld. De poging tot doodslag is niet bewezen. Daarom ook een lagere straf dan de eis: 14 maanden waarvan 6 voorwaardelijk.

nog niet voor publicatie

nieuw -gp1

vanaf zaterdag, maar nu al online