Feeds:
Berichten
Reacties

Grassprietjes

Je moet even op het idee komen: je prutst wat grassprietjes in het slot van een deur.
Na een tijdje, na een dag of twee of zo, ga je voorzichtig kijken.
Zitten de sprietjes niet meer in het slot, dan zijn er bewoners in de buurt.
Is het er nog, dan is de kans groot dat de bewoners afwezig zijn.

Van dat laatste krijgen woninginbrekers nooit genoeg.

Martin (21) en Nico (20) waren op het idee gekomen en konden er inderdaad niet genoeg van krijgen.
Volgens het openbaar ministerie hebben ze vorig jaar in Groningen behoorlijk huis gehouden.
Ze vormden een ware plaag, zei de officier van justitie.
In zeker tien woningen, maar waarschijnlijk meer, sloegen ze hun slag.

Martin bekent, Nico niet.

Eerst Martin.
Hij hoort stemmen in zijn hoofd, noteerde de psychiater in een rapport met de conclusie: schizofrenie, verminderd toerekeningsvatbaar.
Behandeling in een kliniek is noodzakelijk, want Martin is beïnvloedbaar, is een meeloper.
De advocate zegt dat Martin geen alternatieven kon bedenken voor de druk die medeverdachte Nico op hem uitoefende.

Tijdens de rechtszaak geeft Martin meer toe dan hij bij de politie had gedaan.
Tegen de rechters zegt hij ook in de woningen te zijn geweest en dat hij niet, zoals hij bij de politie verklaarde, slechts op de uitkijk stond.
En dat hij samen met Nico van alles uit de woningen had meegenomen.
Van de buit zou je een heel gangpad van de Mediamarkt kunnen vullen.

Het ging fout toen ze in een woning een autosleutel vonden met bijbehorende Kia op de oprit.
Martin reed er mee naar Almere, raakte betrokken bij een aanrijding, rende weg en verloor – zo stom – zijn identiteitskaart.
In de auto bleef een gestolen mobiele telefoon achter.

Voor de tien woninginbraken die de officier van justitie hem in de schoenen schuift, moet een gevangenisstraf van twintig maanden waarvan twaalf voorwaardelijk de straf op maat zijn.
De aansluitende (verplichte) behandeling mag twee jaar duren.
Martin wil dat wel, met hem komt het misschien nog goed.

Maar dan Nico.

Een verdachte hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
Daarom mag een verdachte zwijgen.
Het is aan de officier van justitie de verdenkingen hard te maken met wettige en overtuigende bewijzen.

Nico ontkent alles, maar deed gek genoeg zijn uiterste best om toch veroordeeld te worden.
Ongeïnteresseerd hangt hij in de verdachtenbank waar hij de rechters zo onfatsoenlijke mogelijk te woord staat.

Vragen beantwoordt hij vooral met huh?, met ‘wat zeg je?’, dan wel met ‘weet ik niet’ of ‘weet ik veel’.
Wanneer de officier van justitie vraagt waarom hij zo verongelijkt zit te doen, zegt hij: ‘Wat moet ik dan? Janken?
Tegen de rechters: ‘Het interesseert me vrij weinig.’

Een keer maakt hij een wegwerpgebaar.
Een van de rechters meent een middelvinger te hebben waargenomen.
Rechter, gebelgd: ‘U stak toch niet zojuist uw middelvinger naar mij op hè?’
Nico, uitdagend: ‘Zag je dat? Nou, dan heb je dat verkeerd gezien.’

Rechter: ‘Er komt een moment dat u weer vrijkomt.’
Nico: ‘Dat is dan mooi meegenomen.’
Rechter: ‘Maar wat gaat u dan doen, wat zijn uw plannen?
Nico: ‘Dat hoef ik jou toch niet te vertellen?’

Kortom, de proceshouding van Nico was niet zo heel best.
En er ligt nogal wat bewijs dat niet gunstig voor hem is.
Een criminele informant had aan de criminele inlichtingen eenheid van de politie gemeld dat Nico en Martin woninginbraken plegen met grassprietjes.

Nu is een klik geen bewijs.
Vingerafdrukken zijn dat wel.
Bij de uitzetraampjes waar de inbrekers door naar binnen waren geklommen, zijn die afdrukken aangetroffen.
Van Nico.
In een woning werd ook bloed nabij zo’n vernield raampje gevonden.
Ook van Nico.

Rechters: ‘Als u het niet in die woningen bent geweest, hoe komen u vingerafdrukken daar dan, en hoe uw bloed? Kunt u dat verklaren?’
Nico, verveeld: ‘k Zou het niet weten.’

De officier van justitie: ‘Deze verdachte toont geen respect voor de slachtoffers die hier in de zaal zitten.’
Ze eist zestien maanden celstraf voor vier woninginbraken.
Voor de vijfde is net te weinig bewijs om wettig te kunnen zijn.
Voor zes andere inbraken krijgt Nico binnenkort opnieuw een dagvaarding, met naar verwachting nog meer celstraf als eis.

De advocaat van Nico snapt de proceshouding van zijn cliënt wel.
‘Want voor wie moet hij dan respect tonen? Hij heeft het immers niet gedaan.’
Bij zo een stellingname verwacht je van de advocaat dat hij met een scala aan argumenten komt dat nieuw licht laat schijnen.

De advocaat: Martin heeft schulden, dus hij had belang om in te breken. Mijn cliënt niet, die heeft geen schulden. Nico’s vingerafdrukken bij de vernielde ruitjes? Mag zijn, maar dat zegt niet dat hij spullen uit de woningen heeft gestolen. Bloed met zijn DNA in een woning? Nogal vaag. Zijn bloed kan daar ook op een andere manier terecht zijn gekomen. Uit de woningen zijn vooral sieraden, computers en randapparatuur gestolen. Maar zijn die goederen wel van de slachtoffers? Hij heeft in het dossier geen aankoopbonnen aangetroffen.

De advocaat besluit zijn pleidooi dat een gevangenisstraf voor zijn ontkennende cliënt in ieder geval niet hoger mag zijn dan twaalf maanden.

Huh?

Een heel klein stemmetje in mijn hoofd zei dat ik als laatste zin van dit verhaal moet opschrijven dat als een 20-jarige jongeman het slechte pad wil bewandelen, hij dat zelf moet weten, maar dat dat hem nog niet het recht geeft een dito advocaat in de arm te nemen.

Rob Zijlstra

uitspraak op 9 februari

.

extra
de minimumstraf

In de geest van de minimumstraf zoals het kabinet die wil invoeren, zou Nico geen zestien maanden gevangenisstraf horen eisen, maar minimaal 4 jaar en zes maanden.

Wie zich voor de tweede keer schuldig maakt aan een misdrijf waarop minstens 8 jaar staat, krijgt (minimaal) de helft van het strafmaximum opgelegd.

De maximale straf voor diefstal is vier jaar.  Maar er zijn strafverzwarende omstandigheden. Wie ‘s nachts (‘gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd’) door middel van braak of inklimming met twee of meer (verenigde) personen steelt uit een woning (of besloten erf) krijgt een gevangenisstraf van ten hoogste 9 jaren opgelegd.

[artikel 311 Wetboek van strafrecht]

Houden van Sofie

In de rechtszaal wordt wel eens gezegd dat jongvolwassenen nog volop in ontwikkeling zijn.
Dat jonge mensen voor hun 23-ste nog niet alles tussen de oren hebben zitten wat nodig is om een echte volwassene te kunnen zijn.
In de rechtszaal kun je dan ook overwegingen optekenen dat jeugdige verdachten van ernstige misdrijven een stevige straf verdienen, maar dat – aan de andere kant – ook rekening moet worden gehouden met de nog jonge leeftijd.

Dit laatste heeft met dat eerste te maken.

En dan kan het gebeuren dat zo’n jeugdige verdachte een (iets) lagere straf krijgt dan hij eigenlijk verdient.
Omdat we hem (nog) niet willen afschrijven.

Kay is 20 jaar.
Hij heeft een droom: hij wil auto’s verkopen.
Het openbaar ministerie heeft andere ideeën over zijn toekomst.
De officier van justitie eist naast vijftien maanden gevangenisstraf de maatregel TBS met dwangverpleging.
TBS wordt, of het waar is of niet, wel het afvoerputje van het Nederlandse strafrechtsysteem genoemd.

Mochten de rechters de eis overnemen, dan zal Kay zijn droom voor de toekomst bijstellen.
Dan pleegt hij zelfmoord.
Wanneer hij dat aankondigt, wijst hij met een priemende vinger naar de drie rechters. Zegt, heel boos: ‘Dan zijn jullie daar verantwoordelijk voor.’

In 2009 ontmoette Kay in Stadskanaal zijn huidige vriendin Sofie.
Ze gingen samenwonen.
Eerst was dat leuk, maar toen het 2010 was geworden, werd het allemaal anders.
Steeds vaker hadden ze ruzie en na een tijdje hadden ze samen elke dag mot.
Daarbij vielen klappen, soms ook over en weer, want Sofie is de gemakkelijkste niet.

Maar Kay sloeg harder en nadat hij ook was gaan schoppen, tegen Sofie, door deuren en kasten en tegen keukenlaatjes, tegen ruiten in hun woning, stond regelmatig de politie voor de deur.
Sofie was dan in tranen, had zichzelf opgesloten in de kelder beneden of in de badkamer boven.

Dan deed ze haar verhaal, dat ze na de zoveelste klappen dagenlang suizende oren had, dat ze zo vreselijk bang was voor Kay, bang dat hij haar zou vermoorden.
Daarom wilde ze geen aangifte doen.
Om dan weer monter uit te leggen dat ze helemaal niet bang was.
Ja, wel heel verdrietig.

Een paar keer liep het flink uit de hand, zoals op een dag bij het busstation in Appingedam.
Of die keer op het perron van het treinstation in Scheemda.
De politie moest er aan te pas komen.

In augustus vorig jaar ging het echt mis.
De ruzie liep zo hoog op, dat heel de straat was uitgelopen.
Kay werd aangehouden en de politie maakte foto’s van de ravage in de woning.
De rechters houden de foto’s in de lucht en merken op: ‘Een windhoos is er niets bij.’

Sofie deed haar verhaal, deed aangifte, kwam vervolgens weer met een ander verhaal en trok de aangifte in.
Dan vertelde ze dat ze alles een beetje had overdreven.
Dat ze alleen de nare dingen had verteld, niet de fijne die er ook waren.

Kay tegen de rechters: ‘Ze overdrijft niet. Ze liegt. Van alles wat zij zegt, is 95 procent gelogen.’
Hij zegt dat Sofie hem wekelijks in de gevangenis opzoekt.
Dat Sofie nooit letsel heeft bekomen.
‘Als ik sla, zou ze wel letsel hebben.’
Zegt ook: ‘Ik hou van haar.’

Bijna twee uur lang zagen de rechters Kay door.
Tientallen keren antwoordt hij dat het niet klopt.
Het wordt hem niet gemakkelijk gemaakt.
‘Het klopt niet. Moet ik dat dan blijven zeggen?’

Deskundigen: ‘Hij denkt zeer naïef vooruit.’
Rechters: ‘Bent u een luchtfietser?’

De officier van justitie zegt op zijn beurt dat hij de dossiers die bol staan van huiselijk geweld wel kent.
Dat in die dossiers liefde en haat hand in hand gaan en dat alles in zo’n dossier haaks op elkaar staat.
Maar dat hier sprake is van buitengewoon ernstige feiten, omdat Kay zijn Sofie stelselmatig heeft bedreigd en mishandeld gedurende een lange periode.
‘Sofie heeft het zwaar te verduren gehad.’

Dat Kay een behandeling moet ondergaan, staat voor de officier van justitie als een paal boven water.
Want dat zegt hij.
Hij zegt ook dat Kay zich niet wil laten behandelen.
Want dat zegt Kay zelf.
Hij zegt dat Kay zegt, ik deug, ik functioneer prima, aan mijn lijf geen polonaise, laat mij maar gaan en auto’s verkopen.
Vervolgens formuleert hij zijn strafeis.

Ditmaal wordt niet – aan de andere kant – in overweging genomen dat ook rekening moet worden gehouden met de nog jonge leeftijd van de verdachte.

Het is niet de eerste keer dat Kay tegenover rechters zit.
Hij is vaker veroordeeld wegens geweldsdelicten.
Een deel van zijn jeugd, een keer vier jaren achtereen, heeft hij opgesloten gezeten.
Kay zegt: ‘Ik heb mijn hele jeugd weggegooid. Op een wekelijks gesprekje na, was er nooit iets van behandeling. En nu, nu ik onschuldig ben, moet ik naar de TBS?’

Eerst wijst die priemende vinger richting rechters, daarna volgt een snijdende beweging langs zijn keel.

Op de tribune zit Sofie.
Nadat die nare TBS-eis is gevallen, roept ze: ‘Maar het is gewoon niet waar.’
De rechters roepen bars terug dat het publiek zich stil moet houden.
Kay, wanhopig: ‘Maar zij is geen publiek.’

In zijn laatste woord verzoekt hij de rechters om Sofie opnieuw te horen.
Omwille de waarheid en de leugens.
De rechtbank heeft daar geen trek in.

Met gebogen hoofd, met de grote mensenproblemen tussen de oren, verlaat Kay zittingszaal 14.

Rob Zijlstra

uitspraak op 2 februari

De wet van Dion

De beelden van de beveiligingscamera laten aan duidelijkheid weinig te wensen over.
De camera staat gericht op de twee grote glazen toegangsdeuren van het café.
Dion, capuchon over het hoofd, staat aan de bar en dat mag niet.
Hij heeft een toegangsverbod van drie jaar en die zijn nog niet verstreken.
De portier is onverbiddelijk.
Hij opent een van de deuren en wijst Dion met een gestrekte arm de weg: wegwezen!

Dion geeft gehoor aan dit gebiedende verzoek.
Hij sjokt rustig de straat over en buigt zich over zijn scooter die aan de overkant tegen de gevel staat.
Hij pakt iets, draait zich om en loopt terug naar het café, vol in het zicht van de camera.

De portier staat nog steeds bij de deur en ziet dat Dion een ketting in zijn rechterhand heeft.
De officier van justitie zal later zeggen: ‘Een ketting van 1.20 meter lang, twee kilo zwaar.’
De portier probeert de glazen deur dicht te trekken, bezoekers deinzen achteruit.

Dion haalt uit.
Het volgende moment ligt de glazen deur in gruzelementen.
De officier van justitie: ‘Een glazen deur van 12 millimeter veiligheidsglas die je met een hamer nog niet kapotslaat.’

Maar dus wel met een ketting.
De portier raakt gewond, door de klap, dan wel door rondvliegend glas, dat blijft wat onduidelijk.’

Nadat hij de ruit aan diggelen heeft geslagen, loopt hij in alle kalmte weg, zonder om te kijken.
Zes seconden later rennen er politieagenten door het beeld (en dus door de straat) en wordt Dion buiten het zicht van de camera gearresteerd.

De rechters vragen aan de verdachte wat nou zijn bedoeling was met die ketting.
Dion: ‘Slaan.’

Volgens hem vertellen de camerabeelden niet het hele verhaal.
Dat hij niet in het café Ritmo (Gelkingestraat, Groningen) mocht komen, klopt.
Maar hij moest even iets ophalen, een sleutel of zo.
En die portier was direct problemen gaan maken.
Het allerergste: ‘Hij spuugde mij in het gezicht. Toen werd ik boos. Had hij dat niet gedaan, dan waren er ook geen problemen geweest.’

De wet van Dion: wanneer een man een man in het gezicht spuugt, dan mag je hem slaan.
Dion zegt: ‘Dan sla je hem gewoon.’

Ook de officier van justitie laat aan duidelijkheid weinig te wensen over.
De klap met de ketting op de glazen deur moet, gezien de gevolgen, een gigantische klap zijn geweest.
Zou die deur er niet zijn geweest, zou de portier de deur niet net op tijd hebben dichtgetrokken, dan had hij het niet kunnen navertellen.
Kortom: poging tot moord.

De officier van justitie: ‘Toen hij het café verliet, riep hij, ‘ik geef je een klap zodat je het nooit weer doet’. Hij koos voor een definitieve oplossing. Hij wilde de portier doodslaan.’

Het bovenstaande gebeurde op 6 november vorig jaar.
Maar het had net zo goed op een andere datum kunnen gebeuren.
Geweld loopt als een rode draad door het leven van Dion.
Hij is in meerdere cafés niet welkom wegens gesodemieter.

Ik kijk naar Dion die als een forse brombeer in het verdachtenbankje zit.
De rode draad loopt niet door een vrolijk leven.
Dion is van Curaçao, opgevoed door zijn opa.
Omdat hij geen school afmaakte, kan hij, ook nu hij 46 jaar is, nauwelijks lezen en schrijven.

Wat ook triest is – en bijna niet te begrijpen – is dat hij nu 24 jaar in Nederland is, maar de taal niet spreekt.
Een tolk moet zijn gebrom vertalen.

Sinds 1997 is hij klant van politie en justitie.
Hij heeft de status van veelpleger bereikt.
Een aanzienlijk deel van de voorbije vijftien jaren bracht hij door in gevangenissen.
Nog een probleem: Dion drinkt whisky, soms meerdere flessen op een dag.

Knijp je in zijn dossier, zegt de aanklager, dan druipt de drank eruit.

Dion wilde wel naar klinieken om af te kicken, maar steeds waren er weer rechtszaken, gevolgd door weer nieuwe celstraffen.

Behalve de poging tot moord, staat Dion terecht wegens diefstal (parfum, laptop) en vernieling (van nog een cafédeur).

De officier van justitie neemt 14 jaar gevangenisstraf in de mond.
Dat is de straf volgens rechterlijke richtlijnen voor moord.
Bij een poging mag het iets minder wezen.
Maar met het oog op de rode draad, de grote kans op recidive moet hier een hoge strafeis komen, zegt de officier.
Al dan niet gecombineerd met TBS.

Om de beste strafeis te kunnen formuleren, wil de officier van justitie dat gedragsdeskundigen nog eens nader naar de psyche van Dion kijken.
Het verzoek is daarom de strafzaak aan te houden, om het nadere onderzoek uit te voeren en dan een nieuwe zitting in te boeken.
De advocaat gaat er niet eens voor staan.
De advocaat zegt: ‘Daar zijn wij het helemaal mee eens.’

De rechters vragen aan Dion: ‘Zou u aan zo’n onderzoek meewerken?’
Dion: ‘Si.’

Rob Zijlstra

Carrièrevrouw

De kans slachtoffer te worden van een (ernstig) geweldsmisdrijf is 24 uur per dag, zeven dagen per week – dus altijd – aanwezig, of je nou in een stad woont of rustig op het platteland.
De kans slachtoffer te worden van een geweldsmisdrijf is tegelijkertijd niet groot.
Verreweg de meeste mensen worden het zelfs nooit.

De kans verdachte te worden van een (ernstig) misdrijf ligt ook altijd en overal op de loer.
Maar ook hier geldt dat de meeste mensen nooit worden verdacht van het plegen van strafbare feiten.
Zowel in als buiten de stad zijn zij die misdaden plegen ontzettend in de minderheid.
Desondanks raken we er maar niet over uitgepraat.

Wat ook zo is, is dat verdachten veel vaker mannen dan vrouwen zijn.
De meervoudige strafkamer van de rechtbank van Groningen deed vorig jaar in 376 zaken uitspraak.
Het ging om 351 mannen en 25 vrouwen.
Van die vrouwen werden er ook nog eens vier vrijgesproken.

Het navolgende verhaal gaat over twee vrouwen van wie er één verdachte en één slachtoffer werd.
Zomaar en beiden van het ene op het andere moment.

Het gaat vooral over Emma, een vrouw van 25 jaar en hoogopgeleid.
Op haar werk, bij een financiële instelling in de stad, staat ze aan het begin van een mooie carrière.
Zo oogt ze ook een beetje, ook qua kleding.
Alsof ze naar een diploma-uitreiking gaat, of naar de trouwpartij van haar beste vriendin.

Maar dat is niet zo.

Emma is de verdachte en niet zo’n beetje ook.

De officier van justitie zegt dat Emma heeft geprobeerd Jantina van het leven te beroven.
En mocht de rechtbank dat niet geloven, dan heeft ze geprobeerd Jantina zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Mochten de rechters ook dat niet bewezen achten, dan heeft Emma toch op z’n minst Jantina opzettelijk mishandeld en wel zo dat zij lichamelijk letsel heeft bekomen en /of pijn heeft ondervonden.

Zo zeggen ze zoiets nu eenmaal in de rechtszaal.

Het gebeurde tijdens de feestweek.
Door het dorp reden oldtimers en opgepoetste tractoren, de zon scheen en er was een man die van riet manden kon vlechten, een vrouw draden van wol.
Er was een zweefmolen en zoals ieder jaar waren er suikerspinnen te koop.

‘s Avonds waren de twee cafés vol dorpsbewoners en vrolijkheid.

Emma liep met vrienden en vriendinnen van het ene café naar het andere, naar Het Piratennest.
Het was al na middernacht.

Rechters: ‘Was u dronken?’
Emma: ‘Nee. Ik had vier, vijf glazen bier gehad.’

Ze is nog maar net binnen wanneer er bier over haar heen wordt gegooid.
Daarna was het allemaal heel snel gegaan.
Het bier kwam van links, van daar waar Emma haar ex-vriend Daan zag staan praten met twee haar onbekende vrouwen.

Emma tegen de rechters: ‘Ik gooide een scheutje bier richting Daan.’
Rechters: ‘Wat kinderachtig.’
Emma: ‘Het was actie, reactie.’
Rechters: ‘En toen?’
Emma: ‘Toen kreeg ik bier vol in mijn gezicht. Van een van die vrouwen. Ze schold me ook uit. Met een scheldwoord of zo. Ik schrok. Dacht: waar is dit nou goed voor? Ik kon geen kant op, ik viel en toen gooide ik ook.’

Jantina, zij is een van de vrouwen die bij Daan stond, krijgt niet alleen het bier, maar ook glas in haar gezicht en hals.

Rechters: ‘Hoe kan dat nou?’
Emma: ‘Toen ik gooide, ging het glas kapot. Kapot geknepen.’

De rechters zeggen dat ze dat maar raar vinden.
Dat een hoogopgeleide vrouw met een carrière bij een financiële instelling kennelijk zo boos kan worden dat ze een bierglas kapot kan knijpen.

Emma: ‘Ik was pissig, dat klopt. Maar niet boos. Ik heb ook niet gevoeld dat ik haar heb geraakt.’
Rechters: ‘Toen u later de foto’s van de verwondingen zag, wat dacht dat u toen?’
Emma: ‘O jeetje. Vreselijk.’

In het ziekenhuis moeten drie snijwonden in gezicht en hals van Jantina met dertig hechtingen worden gedicht.
De littekens zullen blijvend zijn.
De artsen hebben gezegd dat Jantina van geluk mag spreken.

De officier van justitie zegt dat Emma met kracht moet hebben uitgehaald, gezien de verwondingen.
In de kin een winkelhaak van vel, in de hals een snijwond van drie centimeter diep.
‘Een paar millimeter dieper en het slachtoffer had hier niet op de publieke tribune gezeten.’

In een brief aan de rechtbank schreef Jantina dat ze nog steeds zenuwachtig wordt wanneer ze een blonde vrouw ziet lopen en dat ze hoopt dat Emma haar verdiende straf krijgt.

De officier van justitie zegt dat het niet ongebruikelijk is dat er tijdens het uitgaan dingen gebeuren.
Dat het wel ongebruikelijk is dat een hoogopgeleide vrouw zo’n bijzonder ernstig strafbaar feit pleegt.
Dat ze met alles wel rekening wil houden, maar dat het feit de doorslag moet geven bij het bepalen van de hoogte van de strafeis.
Dat wie gooit met glas, een kapot geknepen glas, bewust de kans accepteert dat er letsel ontstaat.
Of erger.

De officier van justitie: ‘We praten hier over een poging tot doodslag, goed voor anderhalf jaar gevangenisstraf.’
De advocaat: ‘Carrière weg, een leven vernietigd.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 26 januari 2012 – uitspraak
De rechtbank heeft Emma vrijgesproken van de poging tot doodslag. Zij heeft roekeloos en ongecontroleerd gehandeld, maar had niet de opzet het slachtoffer te doden. Wel bewezen is zware mishandeling. In beginsel, aldus de rechtbank, goed voor een vrijheidsstraf.  Maar in dit geval – niet eerder met justitie in aanraking en  bij celstraf baan kwijt – kan worden volstaan met een werkstraf van 240 uur. Aan het slachtoffer moet ze 1526 euro  betalen.

.

Zwijgende mannen

Zittingszaal 14, maandagochtend, 14 december 2009.

Een verdachte is al op vrije voeten en is niet komen opdagen.
Veel te confronterend allemaal.
De tweede verdachte zit vast, inmiddels al drie maanden in voorlopige hechtenis.
Vijf minuten nadat de strafzaak tegen hem is begonnen, krijgt hij te horen dat hij per direct naar huis mag.
Hij is even stomverbaasd als aangenaam verrast.
Het openbaar ministerie, vindt de rechtbank, heeft een foutje gemaakt.

Het openbaar ministerie had verzuimd de slachtoffers te vragen of die wel willen dat de verdachten strafrechtelijk worden vervolgd.
Wanneer afdreiging de misdaad is, moet dat van de wet.
Omdat afdreiging een klachtdelict is.
Artikel 318, lid 2, Wetboek van strafrecht.

Het openbaar ministerie was het er niet mee eens.
De slachtoffers hadden immers aangifte gedaan.
Dus.
Er volgde hoger beroep en toen weer cassatie bij de Hoge Raad.
Dat laatste kon helemaal niet, maar nam wel veel tijd in beslag.

Daarom duurde het tot vandaag, donderdag 12 januari 2012, dat het openbaar ministerie in de herkansing gaat.

De twee verdachte mannen zijn er niet.
De een omdat hij een strafzaak wederom emotioneel niet aankan, nog altijd te confronterend, zo luidt de verklaring van de advocaat die er wel is.
De ander is er niet omdat hij toch niets wil zeggen.
En om dan wel te komen en te zwijgen tegen de rechters , zo meldt de tweede advocaat, is ook zo lullig.

Abel en Henk worden verdacht van afdreiging.
Ze hebben gedreigd een geheim te openbaren met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen.

Het zou ongeveer zo zijn gegaan.
Abel en Henk lagen in september 2009 in de bosjes bij een seksclub in Emmen.
Toen een bezoeker het pand verliet, maakten ze foto’s en noteerden het kenteken van de blauwe auto van de vertrekkende bezoeker.
Met die informatie struinden ze het internet af, op zoek naar privé-gegevens.
Toen ze voldoende hadden, belden ze hem op.

Ze zeiden: ‘We hebben foto’s die je vrouw niet leuk zal vinden. En die foto’s gaan we publiceren op het internet. Tenzij je 1000 euro aan ons geeft.’

Er wordt een afspraak gemaakt.
Eerst bij de McDonald’s in Stadskanaal, bij nader inzien op de parkeerplaats bij de Aldi.
De ongelukkige man betaalt de gevraagde 1000 euro en krijgt in ruil een SD-kaartje waarop de foto’s zouden staan.

Een dag later wordt de man opnieuw gebeld.
Ze willen meer geld, want ze hebben nog steeds foto’s.
Ditmaal moet het maar eens 2000 euro wezen.

De nu helemaal ongelukkige man belt ditmaal de politie en doet zijn verhaal.
Op het politiebureau wordt een opzetje bedacht.
Het slachtoffer maakt met zijn afpersers een afspraak nabij de Praxis.
Daar zal hij voor de tweede keer geld afdragen.
Hij zegt dat zijn vriend Johnny het geld zal meenemen.
Johnny is een sterke politieagent uit Friesland.

Abel en Henk happen bij de Praxis niet toe, maar zijn wel opvallend in de buurt.
En worden aangehouden.
In hun auto worden de vermeende bewijzen gevonden.
Briefjes met daarop het adres van de ongelukkige man.
Sms’jes berichtjes die passen bij de misdaad.
Uit de TomTom wordt digitale informatie gevist waaruit blijkt dat het apparaat Abel en Henk naar de parkeerplaats bij de Aldi heeft geleid.
Bij een van de verdachten thuis een cardreader van hetzelfde merk als van het SD-kaartje.
Bij een fotoconfrontatie herkent de ongelukkige man de mannen aan wie hij 1000 euro heeft gegeven.

In diezelfde week doet een tweede man aangifte.
Hij heeft een soortgelijk verhaal, met dit verschil dat hij nooit in die seksclub in Emmen is geweest.

De officier van justitie zegt dat haar bewijsconstructie niets te wensen overlaat.
En dat dit wel een heel agressieve manier is om iemands privéleven overhoop te halen.

Ze eist een jaar gevangenisstraf tegen Henk.
Abel mag boeten met tien maanden zitten.

De advocaat zegt dat Abel een dikke sufferd is.
Dat Abel zo’n sufferd is omdat hij altijd van alles aan iedereen uitleent.
Zijn auto, laptop, zijn telefoon, ja wat niet.
Het is dus heel goed mogelijk dat het iemand anders is geweest dan Abel.
Dat de bewijsconstructie van de officier van justitie niet meer is dan een van de mogelijke scenario’s.
Abel moet dus worden vrijgesproken.

De advocaat van Henk zegt dat Henk is aangehouden zonder dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond en dat hij daarom nooit aangehouden had mogen worden.
Omdat dat toch is gebeurd, is het verkregen bewijs onrechtmatig en dat betekent dat ook Henk vrijspraak verdient.
Mocht de rechtbank daar anders over denken dan moeten de rechters zich eens afvragen welk doel het dient Henk terug te sturen naar de gevangenis voor iets wat hij in september 2009 al dan niet heeft uitgevroten.

De officier van justitie zegt nog wat.
Ze zegt dat ze blij is dat de mannen aangifte hebben gedaan.
Dat er bij het openbaar ministerie vaker signalen binnenkomen over zwijgende mannen.
Opdat vrouwen onwetend blijven.

Rob Zijlstra

.

• artikel 318 Wetboek van strafrecht

.

Baflo (3) – pro forma

Een jonge vrouw steekt haar slapende partner dood.
Het openbaar ministerie eist vijf jaar celstraf, maar de rechtbank komt tot een ander oordeel: ontslag van alle rechtsvervolging.
De vrouw handelde uit psychische overmacht.
Het misdrijf waaraan zij schuldig werd bevonden, werd haar om die reden niet aangerekend (toegerekend).
Zij was – volgens de rechtbank Groningen – wel dader, maar op het moment van het misdrijf was zij niet in staat haar wil te bepalen.
Daarmee was zij geen strafbare dader en kreeg om die reden ook geen straf opgelegd.

De omstandigheden achter dit verhaal zijn bizar.
De vrouw werd jarenlang en stelselmatig daar haar partner vernederd, mishandeld en verkracht.
Hij had op die fatale avond, tijdens een proefverlof, verzekerd dat ze de volgende ochtend, zodra hij zijn roes had uitgeslapen, weer aan de beurt zou zijn.

Een jongeman schiet in het wilde weg iemand neer die hem, in zijn woning en met anderen, belaagt.
Een van de belagers overlijdt korte tijd later aan de verwondingen.
Het openbaar ministerie eist achttien jaar celstraf wegens moord en pogingen daartoe, maar de rechtbank komt tot het oordeel: noodweer (zelfverdediging).
De jongeman werd niet vrijgesproken, maar ontslagen van alle rechtsvervolging.
Wel schuldig, geen straf.

Er zijn tal van waargebeurde voorbeelden waarbij een verdachte van wie kan worden bewezen dat hij de dader is, geen straf krijgt opgelegd.
De wet voorziet hierin.

In een strafzaak moeten twee kernvragen worden beantwoord.
Kan hetgeen waarvan de verdachte wordt beschuldigd, wettig (met wettig verkregen bewijsmiddelen) en overtuigend (zonder twijfel) worden bewezen?
Zo ja, dan luidt de tweede vraag: is de verdachte ook een strafbare dader?

Zijn er gronden die de verdachte. de dader, straffeloos maken?

Wie te dronken is om zich staande te houden en in die omstandigheid iemand doodrijdt, kan zich niet beroepen op het feit dat hij vanwege de alcohol niet meer wist wat hij deed.
De alcohol heeft hij vrijwillig tot zich genomen en daarmee heeft hij bewust het risico aanvaard – door in de auto te stappen – dat het wel eens mis zou kunnen gaan.
Je bent dan zo strafbaar als het maar kan.

Iemand die ongevraagd ruzie krijgt in het café en de agressieve ruziemaker verwondt (of doodsteekt) met zijn mes, heeft een probleem.
Wie een mes meeneemt naar het café, neemt willens en wetens een risico.
Wie van acht hoog een vuilniszak naar beneden gooit, niet wetende dat beneden iemand loopt, heeft in de rechtszaal ook een probleem.

In Baflo is een jonge vrouw in haar woning doodgeslagen.
Kort daarna is de politieagent doodgeschoten.
De verdachte is de uitgeprocedeerde asielzoeker Alasam S. (26).

Dat hij de vrouw, zijn vriendin, om het leven heeft gebracht en vervolgens de agent heeft doodgeschoten, lijkt vast te staan.
Alasam S. ontkent het niet.
Grote kans dat zijn schuld wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Resteert de tweede vraag: is Alasam S. een strafbare dader?
Of zijn er strafuitsluitingsgronden waardoor hij wel schuldig is, maar niet strafbaar?
Tijdens de rechtszaak, vermoedelijk in april of mei, zal het vooral om die vraag gaan.

Dinsdagochtend stond de ‘zaak Baflo’ voor de derde keer als pro forma op de rechtbankrol.
Tijdens de korte zitting werd een klein voorschot genomen op wat straks komen gaat.

In het bloed van Alasam S. is een concentratie van het medicijn paroxetine aangetroffen.
Advocaat Mathieu van Linde wil weten welke invloed dit medicijn heeft gehad op het handelen van S.

S. gebruikte dit medicijn op voorschrift van een arts.

Er zijn deskundigen die naar eer en geweten zeggen dat paroxetine kan leiden tot zeer agressief gedrag.
Er zijn strafzaken geweest waarin deze deskundigen hebben gezegd dat er een verband bestaat tussen het gebruik van dit medicijn en de begane misdaad.
Er zijn deskundigen die beweren dat dit onzin is, dat paroxetine geen dan wel nauwelijks invloed heeft op gedrag.
Er zijn deskundigen die dit zeggen en subsidie hebben ontvangen van de farmaceutische industrie, van de producent van paroxetine.

De officier van justitie erkent dat het medicijn een belangrijk punt is in het Baflo-onderzoek.

Probleem is, zei hij, dat met het kiezen van een deskundige, ook gekozen wordt voor een uitkomst.
De officier van justitie ziet liever dat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een onafhankelijk, wetenschappelijk literatuuronderzoek doet naar de bijwerkingen van paroxetine.

Het komt vaker voor dat wetenschappers met al hun deskundigheid lijnrecht tegenover elkaar staan. Het kwam voor in de Groninger HIV-zaak.

Dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat Alasam S. de man is geweest die zijn vriendin Renske Hekman en daarna politieman Dick Haveman van het leven heeft beroofd, heeft vermoord, is één ding.
Maar de vraag of hij ook een strafbare dader is, laat zich vooralsnog niet zomaar beantwoorden.

Het antwoord moet wel worden gevonden, maar moet losstaan van de verschrikkelijke gebeurtenissen op 13 april 2011 in Baflo.

Rob Zijlstra

.

• paroxetine

• Bijlmoorden Badhoevedorp, rechtbank Haarlem 2009

 Bijlmoorden Badhoevedorp, gerechtshof Amsterdam 2011

• ontslag van alle rechtsvervolging (ovar)

• pro forma-zitting, 18 juli 2011

.

Schoonmoeder

Het ging over wat ze hadden gedaan.
Niet over het waarom, want een reden was er niet.
Het was gewoon gebeurd.

In vereniging, zei Jan (23) een tikkeltje wijs.
Ik ben medeplichtig, hield Micky (20) de rechters voor.
Paul (19): ‘Ik spreek alleen namens mezelf.’

In koor: ‘Het is gewoon uit de hand gelopen.’

Bij verdachten als Jan, Micky en Paul vraag ik mij als het gaat over wat ze hebben gedaan altijd af: wat zullen ze in de toekomst nog meer doen?

Neem Paul.
Geboren in Seoul, Zuid-Korea.
Opgegroeid en ontspoord in Groningen.
Hechtingsstoornis.
Geldproblemen (schulden).
Hij rookte twintig jointjes per dag, te veel om de baantjes die hij af en toe had te behouden.
Alleen helder wanneer hij sliep.

Of Micky.
Veroordeeld tot vijftien maanden celstraf waarvan negen voorwaardelijk wegens een poging tot doodslag toen hij net 18 jaar was geworden.
Ook hij: het enige dat hij bezit zijn schulden.
Hoeveel?
Dat wil hij in de rechtszaal met al die mensen erbij niet zeggen
Rechters: ‘Zeg maar heel veel.’
Micky: ‘Yes.’

Jan.
Gebruikte net als Paul ongekende hoeveelheden softdrugs om de dag door te komen.
Softdrugs als zelfmedicatie, om zichzelf rustig te houden.
Want?
‘k Heb ADHD.’

De laatste keer dat Jan in zittingszaal 14 zat, waren de zorgen groot.
De laatste keer was in juni 2010.
Hij had toen een straatroof gepleegd.
Het was in de tijd dat hij tussen alle jointjes door dagelijks hele flessen whisky leegdronk.

De officier van justitie had anderhalf jaar geleden aangedrongen op nader onderzoek naar zijn geestesgesteldheid.
Ze had gezegd, een kale detentie kan, maar ik weiger hem, zo jong nog, af te schrijven.
Jan wilde zelf ook wel een onderzoek.
Maar de rechtbank wilde er niet aan en veroordeelde hem in juni 2010 tot vijftien maanden celstraf (vijf voorwaardelijk).

Nadat Jan zijn straf had uitgezeten, keerde hij terug naar Groningen en kwam opnieuw bij Vast en Verder terecht.
Vast en Verder is een oplossing van het Leger des Heils om jonge jongens die vast hebben gezeten verder te helpen.
Maar Jan kwam er niet verder.
Er zou iets voor hem worden geregeld, iets met werken en leren, maar dat liet maar op zich wachten.

En dus vroeg hij op een verveelde avond aan twee medebewoners of die zin hadden met hem mee te gaan, beetje autorijden en zo.
Hij had sleutels van een auto die niet van hem was.
Dus.
Micky en Paul wilden wel.
Zij hadden toch ook niets te doen.

Ze reden eerst naar Winsum.
Daar probeerden ze een auto te stelen.
Dat had Jan gezegd.
Nietwaar, verklaarden Mickey en Paul.
Toen terug naar Groningen.
Om uiteindelijk terecht te komen in Veendam.

Jan tegen de rechters: ‘Onder directie van Micky. Die kende daar de weg.’
Micky: ‘Beetje’

Nabij de Kieler Bocht probeerden ze een Ford Escort Clipper te stelen.
De buit bestond uit slechts een life hammer.
Geen probleem, want zo’n ding kwam goed van pas bij het uit de hand lopen daarna.
Er werden ruiten van (ten minste) zes geparkeerde auto’s ingeslagen.
Goed voor twee brillenkokers, een zonnebril, een frontje van een cd-speler en een navigatiesysteem.
En veel schade.

Hier was het over gegaan tijdens de rechtszaak.
Micky: ‘Ik ben merendeels medeplichtig.’
Paul zegt dat hij het blijkbaar niet meer weet.
Jan dat het zo ongeveer gewoon wel klopt.

Paul hoort tien maanden celstraf eisen, waarvan drie voorwaardelijk.
Plus nog eens twee maanden die hij eerder bij de kinderrechter voorwaardelijk opgelegd had gekregen voor diefstal.
De advocaat wil liever een nader onderzoek naar een mogelijk verband tussen de psyche van Paul en de gepleegde delicten.
De officier van justitie – zij die destijds Jan nader wilde laten onderzoeken – heeft daar geen behoefte aan.

Micky.
Niks medeplichtig, maar medepleger, zegt de officier van justitie.
Maar terug naar de gevangenis hoeft hij niet.
Een gevangenisstraf voor de duur die hij heeft vastgezeten (32 dagen) en een werkstraf van 240 uur.
De negen maanden die hij eerder voorwaardelijk kreeg, mogen als stok achter de deur blijven staan.

Dacht, Micky met je veroordeling wegens poging tot doodslag, je mag de officier van justitie wel op je blote knieën danken.

En dan Jan.
Eis: een jaar.
Kaal.
Plus twee van de vijf maanden van de vorige voorwaardelijke veroordeling.
Nader onderzoek?
Dezelfde officier van justitie kijkt wel uit.
Jan zegt dat het zo niet verder kan, dat hij structuur nodig heeft.
En dat hij gemotiveerd is om er nu wel iets van te maken.

Rechters: ‘Waarom nu wel?’
Jan: ‘Ik heb niet veel meer, geen woonruimte, niets. Ik ben veel mensen kwijtgeraakt. M’n ouders. Maar ik heb mijn schoonmoeder nog. En die wil ik niet kwijt.’

Rob Zijlstra

.

• medeplichtige
• medepleger

• Jan en de blije knuffel, 17 juni 2010

.

UPDATE – 23 januari 2012 – uitspraken
De rechters zien het een tikkeltje anders dan de officier van justitie wat de straffen betreft: Jan heeft 9 maanden celstraf gekregen, Paul 6 maanden waarvan 2 voorwaardelijk.  Micky is conform: 32 dagen die hij al vast heeft gezeten en de taakstraf van 240 uur.

Medeverdachten

De rechtspraak kost wat en dat is natuurlijk logisch.
Een bos kost ook geld.
En geen rechtspraak nog veel meer.

Een en ander neemt niet weg dat de Nederlandse strafrechtspraak zich kenmerkt door een efficiënte aanpak.
Wanneer er voor één strafbaar feit twee (of meer) verdachten zijn, staan die twee (of meer) meestal gelijktijdig voor de rechter.
Dat is omwille proceseconomische reden.
Twee voor de prijs van één.

Dat is zowel handig als lastig.

Want wanneer er twee verdachten voor hetzelfde feit terechtstaan, worden op één zitting twee rechtszaken tegelijkertijd behandeld.
Rechters zijn in zo’n geval verplicht vooraf tegen de verdachten te zeggen dat hun zaken gelijktijdig worden behandeld, maar niet gevoegd.
Dat betekent dat wat de ene verdachte zegt in zijn zaak, niet gebruikt zal (mag) worden in de zaak van de andere verdachte.

Branko en Stanley worden verdacht van straatroven, in augustus en september in de stad Groningen.
Stanley wil wel toegeven dat hij het heeft gedaan.
Hij moest zich melden bij de gevangenis en had geld nodig ‘voor in de bak’.
Daarom.

Branko ontkent zijn betrokkenheid, want hij heeft niks gedaan.
Stanley is het met zijn medeverdachte eens.
Hij zegt tegen de rechters: ‘Deze man kunnen jullie naar buiten gooien. Hij heeft er niets mee te maken.’

Branko kijkt tevreden naar Stanley en vervolgens naar de rechters.
Hij zegt: ‘U hoort wat die kerel zegt. Ik heb er niets mee te maken.’

Maar zo gemakkelijk is het niet.

Want wat Stanley roept – behoorlijk ontlastend – kan niet zomaar worden gebruikt in de zaak van Branko.
De strafzaak zal moeten worden aangehouden om Stanley bij de rechter-commissaris als getuige te kunnen horen.
Daar mag hij herhalen wat hij zojuist heeft geroepen.
Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt en dat wordt toegevoegd aan het dossier van Branko.
Dan telt het wel.

Weg handig voordeel.

De twee strafzaken worden aangehouden (uitgesteld) om over maanden na nader onderzoek te worden voortgezet.
Branko blijft verdachte, zij het dat de voorlopige hechtenis per direct wordt opgeheven.
Hij hoeft niet terug naar de gevangenis; hij mag – ook van de officier van justitie – zijn proces in vrijheid afwachten.
De aanklager is niet meer zo zeker van haar zaak.

De eerste zittingsdag van het nieuwe jaar in zaal 14 was ‘s ochtends begonnen met Tido en Harm.
Ook hun zaken dienen gelijktijdig, maar niet gevoegd.

Samen zouden ze op een nacht in oktober van het vorige jaar Wilco hebben geslagen, geschopt en vervolgens beroofd van zeventig euro, identiteitspapieren en zijn fiets.

Tido en Harm zitten naast elkaar in de verdachtenbank.
Harm zegt dat het klopt.
Tido niet.
Tido zegt dat toen het gebeurde, Harm lag te slapen.
Tettert: ‘Dus wat kan hij nou weten?’

Rechters: ‘Wat is er dan gebeurd?

Tido vertelt dat ze ‘s nachts bij café Bos in Vledderveen een krat bier hadden gekocht. Toen ze weer buiten stonden, kwam die Wilco stomdronken achter hen aan.
Ze dronken samen biertjes uit hun krat.
Tido: ‘Maar ineens ging die man slaan en schopte hij mij. Hij mij! Dat is de waarheid.’

Rechters: ‘Waarom sloeg hij u?’
Tido zou het niet weten.
‘Portemonnee?’
Tido: ‘Niet gehad.’
Fiets?
‘We zijn lopend weggegaan. Op de fiets. Nou ja, hoe weet ik ook niet meer.’

Harm heeft een andere lezing van de gebeurtenis.
Hij sliep helemaal niet.
Die ochtend had hij met zijn zoontje kastanjes gezocht en toen was hij Tido tegen het lijf gelopen.
Die moest een auto op naam laten zetten.
Bij de C1000 kochten ze een krat bier.
Toen de flesjes leeg waren, schakelden ze over op Beerenburg en Jägermeister en toen benzine op was, liepen ze naar een café om een nieuw krat te kopen.
Ze waren buiten gaan zitten en toen kwam die man er aan.
Eerst dronken ze nog wat samen, rookten ze wat van zijn shag.
Daarna hadden ze hem nadrukkelijk om geld gevraagd.

Harm: ‘Tido gaf hem twee klappen. Hij viel. Ik heb hem twee keer geschopt. Hij gaf zijn portemonnee. Die heb ik aangepakt. Daarna zijn we op zijn fiets weggereden. Tido stuurde, ik zat achterop met het krat bier. De fiets hebben we later in het kanaal gegooid.’

Het slachtoffer mocht bij een woning met het licht nog aan de politie bellen.
Op basis van het signalement, zei de buurtagent: ‘Dat moeten Harm en Tido zijn geweest.’

De officier van justitie komt niet toe aan het eisen van straf.
Het onderzoek in de zaak van Tido is klaar, maar in de zaak van Harm ontbreekt het reclasseringsrapport.
De rechters willen de twee strafzaken niet splitsen, maar een maand uitstellen.

Tido is het daar heel erg mee oneens.
Hij wil weten waar hij aan toe is en nog liever naar huis.

Zouden de rechters in zijn zaak over twee weken uitspraak doen, dan nemen ze daarmee een voorschot op hun oordeel over Harm.
En dat kan niet, want zijn strafdossier is nog niet compleet.
Een oordeel over Tido betekent dat de rechters in de zaak van Harm besmet zijn.
Kan opgelost worden: door de strafzaak van Harm opnieuw te doen.
Met drie andere rechters.

Dat is niet efficiënt.
En dus gaan Harm en Tido om proceseconomische reden, terug naar de gevangenis.

Rob Zijlstra

De straffen van 2011

schandstenen

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Groningen – de club van zittingszaal 14 – behandelde in 2011 een record aantal strafzaken: 376.
Het waren er 18 meer dan in 2010 en 33 meer dan in 2009.

Wat vooral opvalt, is dat er fors meer gevangenisstraf is opgelegd.
In 2010 legde de meervoudige strafkamer 280 jaar onvoorwaardelijke celstraf op.
In 2011 was dat opgeteld: 370 jaar.

Nu is het trekken van conclusies op basis van cijfers verleidelijk.
En al snel onjuist.
Is er strenger gestraft of waren de delicten ernstiger?
Of beide?

Een verklaring voor de toename van het aantal jaren celstraf kan zijn  dat er in 2011 relatief veel verdachten terechtstonden voor gewapende overvallen.
Aan deze, vaak jonge, verdachten werden stevige straffen uitgedeeld.
Anders dan in voorgaande jaren lijken rechters minder rekening te houden met de vaak jonge leeftijd van overvallers (18, 19, 20 jaar).

De zwaarste straffen die vorig jaar werden opgelegd, bedroegen 12 en 10 jaar celstraf wegens doodslag.
Het openbaar ministerie had in deze zaken, die zich in Hoogezand afspeelden, 18 en 15 jaar geëist voor moord.

Verreweg de meeste opgelegde gevangenisstraffen waren korter dan 3 jaar.
In 37 van de 376 strafzaken werd 3 jaar en meer opgelegd.

Het aantal (volledige) vrijspraken bedroeg 26 tegen 18 een jaar eerder.
In 6 van die 26 zaken had het openbaar ministerie ook om een vrijspaak gevraagd.

De daling van het aantal opgelegde uren werkstraf zette  vorig jaar niet door.
In 2009 werd voor 21.576 uur aan werkstraf opgelegd, in 2010 kelderde het aantal uren naar 14.186.
Vorig jaar werden 14.568 ‘werkuren’ opgelegd.

De maatregel TBS is nog steeds een beetje uit: 3 mannen werden vorig jaar met dit stempel naar een kliniek gestuurd (tegen 6 in 2010).
Opmerkelijk hierbij is dat in één zaak een TBS met dwangverpleging werd opgelegd wegens stalking.

De veroordeelde is fysiek gezien ongevaarlijk, oordeelde de rechtbank. De samenleving loopt vooral gevaar door het  psychische geweld.

De veelplegersmaatregel ISD lijkt weer iets aan populariteit te winnen.
In 2010 kregen slechts 4 veelplegers de twee jaar durende maatregel opgelegd, vorig jaar gebeurde dat 10 keer.

Opvallend is het aantal ontzeggingen van de rijbevoegdheid.
Zowel in 2010 als in 2011 werden opgeteld voor 26 jaar en tien maanden ontzeggingen opgelegd.
In 2010 ging het om 20 automobilisten, vorig jaar om 19.

Er is ook misdaadgeld geplukt.
In totaal moesten vijftien mensen samen 557.538 euro en 65 eurocent inleveren.
Het gaat hierbij vooral om geld dat is verdiend met de handel in hennep.

Rob Zijlstra

   -  meer cijfers over de opgelegde straffen en maatregelen staan: hier

.

De advocaten van 2011

Advocaat Fred Kappelhof van het gelijknamige advocatenkantoor in Delfzijl was in 2011 de meest actieve strafrechtadvocaat in Zittingszaal 14.
Hij stond vorig jaar 19 verdachten bij.
Dat is exclusief de bijstand die Kappelhof verleende aan de verdachte die voorlopig niet wordt vervolgd, maar wel verdachte blijft in een raadselachtige zaak.

In mijn overzicht tellen alleen zaken waarin de rechtbank vonnis heeft gewezen.

Advocaat Mathieu van Linde – die zich in 2010 met 24 strafzaken de meest actieve raadsman mocht noemen – eindigde dit jaar op een gedeelde derde plaats.
Met 13 in eerste aanleg afgeronde zaken.

De vijftien meest actieve advocaten komen allemaal uit Groningen (stad en provincie).
De vrees die onder de Groningers advocatuur wel leeft, dat advocaten ‘uit het Westen’ hier zaken komen doen, komen ‘stelen’, heeft geen grond.

Het meest actieve advocatenkantoor in 2011 is wederom de strafrechtpoot van De Haan Advocaten uit Groningen.
Dit kantoor, met de advocaten Cees Eenhoorn, Maartje Schaap, Duco Keuning en Erik de Mare, deed 49 van de 376 strafzaken.
Het kantoor van Heiko Eckert en Greetje van der Zee – voormalige advocaten van De Haan – deden samen 23 zaken.
Ook Mathieu van Linde is een voormalig De Haan-advocaat.

Deze cijfers zeggen niet heel veel over de advocaten.
De cijfers hebben alleen betrekking op Zittingszaal 14.
De genoemde advocaten zijn ook buiten de rechtbank van Groningen actief.
Maar daar heb ik geen zicht op.

Wat wel iets zegt is de eenvoudige constatering dat het verlenen van rechtsbijstand aan verdachten nog altijd een aangelegenheid is van mannen.
Verdachten zijn ook meestal man.
In 2011 waren onder de 376 veroordeelde verdachten slechts 24 vrouwen.
Vrouwen doen dus maar een beetje mee in de actieve misdaad.

Aan de andere kant is dat anders.
Officieren van justitie – de misdaadbestrijders – zijn wel steeds vaker vrouw.
Vrouwelijke officieren van justitie zijn in Zittingszaal 14 inmiddels in de meerderheid.

En vaker ook dan in voorgaande jaren kon ik in 2011 vaststellen dat alle professionele deelnemers aan het strafproces, de togadragers – griffier, drie rechters, de officier van justitie en de advocaat – vrouwen waren.

Dat zegt wel iets.
De vraag is wel: wat?

Zijn de vijftien meest actieve advocaten nu ook de beste advocaten van Groningen?
Dat weet ik niet.
Wat ik wel heb moeten meemaken is dat de twee meest belabberde pleidooien van advocaten, pleidooien onder de tuchtrechtelijke maat – leidden tot vrijspraak.
Hoe slechter de advocaat, hoe meer rechters rekening houden met de positie en de belangen van de verdachte, lijkt het wel.
Ook dat zegt iets.
Misschien wel dat rechters zo gek nog niet zijn.

Reden ook om het komende jaar de kritische blik wat meer op de advocatuur te richten en daarover te berichten.

Nog even terug – maar nog meer nietszeggend – naar advocaat Fred Kappelhof.

Hij bracht eens grillige levenslijnen samen.

Kappelhof verdedigde een gemene oplichter.
Een van de slachtoffers was Ronnie uit Delfzijl.
Ik schreef daar als verslaggever in Zittingszaal 14 een verhaal over.

Eens verdedigde ik als linksback de belangen van het voetbalelftal.
Ronnie – het slachtoffer – was toen de (gemene) linkshalf.
En de verdediger van de gemene oplichter?
Hij was destijds op links de aanvaller: Fred Kappelhof.

Dat de verdachte in deze toevallige samenloop van omstandigheden geen rol speelde, moet op louter toeval berusten.

Rob Zijlstra

zie ook: de straffen van 2011

.

De advocaten top-15


Fred Kappelhof [foto][19 zaken]

Cees Eenhoorn [15]
Matieu van Linde [13]
Maartje Schaap [13]
Alex Allersma [12]
Heiko Eckert [12]
Duco Keuning [12]
Greetje van der Zee [11]
Laurens Slinkman [11]
Ubo van Ophoven [10]
Erik de Mare [9]
A.R.H. Baas [8]
Rob van Haarst [7]
Gert Meijer [7]
Willem Schoo [7]

.

het complete overzicht van de advocaten staat hier

Bange konijntjes

GASTBLOGGER

door Fred Janssens

.

We horen het de laatste jaren erg veel: het vertrouwen in rechters neemt af. Na politici, artsen en banken, zijn nu de rechters aan de beurt. Wat met dat ‘vertrouwen’ dat ‘afneemt’ nu precies gezegd wordt, is echter niet duidelijk.

Laten we er voor het gemak van uitgaan dat degene die aangeeft geen of minder vertrouwen in de rechter te hebben, het gezag van de rechterlijke macht betwist. Dat is tenminste de gedachte die veel mensen uitspreken.

Maar komt die gedachte overeen met de werkelijkheid?

Peilingen wijzen uit dat 40 procent van de bevolking geen vertrouwen in de rechters heeft. Dat betekent dat 60 procent dat blijkbaar wél heeft.
Maar goed, iets minder dan de helft van die ‘bevolking’ ziet geen heil in de rechter en in de rechtspraak. En dan gaat het vermoedelijk met name over de strafrechtspraak. Over het civiele recht, toch een groot deel van de rechtspraak, hoor je geen onvertogen woord – überhaupt geen woord.

Nu zegt mij die 40 procent betrekkelijk weinig.
Het cijfer drukt ongetwijfeld onvrede over iets uit, maar we weten niet hoe men vroeger over de (straf-)rechtspraak dacht. Was het vertrouwen tien, twintig jaar geleden, voor de oorlog etc, meer of minder? Om het maar eens moeilijk te zeggen: mij is een nul-meting onbekend. Het zou mij weinig verbazen als toen ook al 40 procent de kriebels kreeg van de rechterlijke macht.

Daar komt bij dat het begrip ‘vertrouwen’ een lastig begrip is.
Het is vooral ook lastig te meten.
Iedereen heeft wel een idee bij het begrip, maar met al die verschillende betekenissen die je aan dat woord geeft, is het lastig peilen hoeveel vertrouwen er nu wel of niet is.
Als je op de Grote Markt aan iemand vraagt of hij vertrouwen heeft in de rechterlijke macht (of: rechtspraak) en die persoon is de dag ervoor veroordeeld, krijg je ongetwijfeld een ander antwoord dan van iemand die bij de rechter zijn gelijk heeft weten te halen.
En degene die zijn kennis alleen maar uit een ochtendblad vergaart, heeft vermoedelijk een ander beeld van de rechtspraak dan hij, die – anders dan als verdachte – regelmatig strafzittingen bijwoont.

Kortom: waar gaat het eigenlijk over als we het hebben over het gebrek aan vertrouwen in de rechtspraak?
Is er wel een probleem?
Veel politici vinden van wel.
En die spuien dan allerlei nieuwe ideeën om het vertrouwen te herstellen. De rechter moet zwaarder straffen. De rechter mag in sommige gevallen geen taakstraf meer opleggen.
Misschien, zeggen politici, moeten we maar eens kijken of de rechters wel de goede mening erop na houden.

Er zijn ook nogal wat rechters die vinden dat het vertrouwen duidelijk vermindert en dat rechters er alles aan moeten doen om het te herstellen.
Het punt is alleen dat – zoals hiervoor is uitgelegd – volstrekt onduidelijk is waar het vertrouwensprobleem uit bestaat.
De vraag is of het probleem überhaupt bestaat.

Ik denk het niet.
Het berust op empirisch drijfzand.

Rechters lopen te hoop tegen iets anders. Wat zij als vertrouwensprobleem zien, is eigenlijk negatieve beeldvorming. En die is opgebouwd uit niet helder gemaakte onuitgesproken vooroordelen en niet geëxpliciteerde vooronderstellingen.
Zeg maar: stereotypen.

De beeldvorming zit tussen de oren van degene die de rechters bekritiseert.
Maar ook tussen de oren van de rechter.
Dat leid ik tenminste af uit de verwoede pogingen die de rechterlijke macht doet om het ‘vertrouwen’ dat het publiek in haar zou hebben, op te vijzelen.

De vraag is of dat effectief is.
Ik denk het niet.
Het is nu eenmaal moeilijk iets op te poetsen dat nooit meer dan een schim zal blijven.
Het gaat niet zozeer om het vertrouwen, maar om het imago dat de rechterlijke macht heeft.
Dat beeld lijkt mij behoorlijk vertekend.
Er wordt heel veel gezegd wat niet klopt.
Soms is het regelrecht onwaar.

Men zegt maar wat over de rechtspraak: de man die vanuit de bosjes onverhoeds een vrouw verkracht krijgt, zegt men, maar een werkstraf opgelegd.
Men schoffeert de rechter.
Dat rechters softe watjes zijn die zich door verdachten laten bedotten. Dat rechters geen benul hebben van hoe de echte wereld er uitziet. Door dat soort klets voelen wij, rechters, ons slachtoffer.
Daardoor ligt het zelfvertrouwen van de rechter in de kreukels.

Elke psycholoog kan vertellen dat als je eenmaal een negatief zelfbeeld hebt, je daardoor niet gemakkelijk uit de kuil komt waarin je jezelf hebt gemanoeuvreerd.
Het wordt dus tijd dat de rechter het negatieve zelfbeeld afschudt en uit de kuil klimt en laat zien waarvoor hij staat en wat hij doet. Immers: een rechter die vertrouwen in zichzelf heeft, straalt dat glashelder uit en is daardoor veel beter in staat om de aanvallen op de rechterlijke macht te pareren.

Dus de rechter kan ook anders reageren op allerlei kletspraat.

Laten we eens nagaan wie de rechter is.
Hij staat met beide voeten in de klei.
Hij is verre van wereldvreemd.
Sommige rechters zijn, als zij niet in de zittingszaal zitten, lid van de ouderraad van de school van hun kinderen.
Of ze doen in de vrije weekeinden vrijwilligerswerk.
Zij gaan met hun kinderen naar het sportveld, als ze zelf al niet sporten.
Rechters zitten ook wel eens in een kroeg.

Oftewel: de rechter is een gewoon mens.

Wat doet de rechter als hij in de zittingszaal zit?
Recht spreken.

Nogal wiedes.’
Maar wat houdt dat in?
De rechter kiest geen partij.
Verdachte, aanklager en slachtoffer zijn de rechter om het even.
Hij laat zijn oren niet hangen naar populistische prietpraat of naar andersoortige praat van wie dan ook.

De rechter slikt niet alles voor zoete koek.
De rechter is softie noch watje.

De rechter is ‘voor het leven benoemd’.
Dat wil zeggen dat de rechter niet bang hoeft te zijn dat zijn beslissing tot diens ontslag leidt.
Hij is dus onafhankelijk.
De rechter is ook integer: hij hoedt zich ervoor te verstrengelen met individuele belangen.

De rechter is een professioneel functionaris.
Hij kan zittingen leiden, luisteren naar het verhaal van de verdachte en hij herkent emoties. Zijn beslissing is het resultaat van een afweging van alle feiten en belangen die ter zitting naar voren zijn gebracht. Leidraad daarbij zijn uiteraard de wet en het recht.

Ziedaar de cocktail waarmee de rechter heden ten dage prima voor de dag komt!
En waarmee hij de waarden van de rechtstaat dient, hetgeen van levensbelang voor ons allemaal is.

We kunnen vaststellen dat de rechtspraak in verreweg de meeste zaken prima functioneert.
En dat daardoor de rechtstaat nog steeds naar behoren werkt.
De rechter weet dat eigenlijk ook wel.

Maar nu anderen nog.

De rechter moet dus meer en beter uitleggen wat hij doet en waarom hij dat doet.
Zou de rechter voor een verkrachting wel een werkstraf opleggen, dan moet hij zeggen dat juist die straf meer past bij een jongen van 16 die een meisje van 15 een tongzoen afdwingt dan bij de man uit de bosjes (in de juridische wereld heet de afgedwongen tongzoen een ‘verkrachting’, maar die is uiteraard van een geheel ander soort dan die door de man uit de bosjes).

Maar het kan natuurlijk niet alleen maar van de rechter komen.
Van journalisten die rechtszaken verslaan en die over het strafrecht schrijven, mag verwacht worden dat zij zich grondig documenteren en niet zo maar wat schrijven om de krant aan betere verkoopcijfers te helpen.
En de politicus verkoopt zich uiteindelijk beter als ook hij eerst kennis vergaart en dan pas wat zegt.

Als de rechtspraak haar sterke kanten uitstraalt en voor haar zwakke kanten niet gepikeerd wegloopt, kan de rechter met opgeheven hoofd zijn waarden uitdragen.
Zijn zelfvertrouwen wordt sterker en daarmee zijn zelfbeeld ook. Daarmee kan hij aan de slag om negatieve beeldvorming om te vormen in een positieve.

En een trotse rechtspraak, een kritische rechtspraak, laat zich niet zomaar wegblazen door lieden die het met de rechtsstaat niet bijster goed voor hebben.
En al helemaal niet door allerlei berichten dat het vertrouwen in de rechtspraak afneemt.

We hebben niets aan rechters die als bange konijntjes in de koplampen van de prietpraters kijken en uit angst voor hen andere beslissingen nemen dan ze op basis van de feiten en omstandigheden passend zouden vinden.

Fred Janssens
rechter

.

Fred Janssens was officier van justitie in Groningen. Halverwege 2010 stapte hij over van de staande naar de zittende magistratuur en werd rechter in de arrondissementsrechtbank van Assen.  Het bovenstaande verhaal schreef hij voor  Zittingszaal 14 en op persoonlijke titel.  

De hork

Arie is een hork.
Dit is geen vriendelijk begin.
Maar het moet wel en ik zal dit verhaal ook zo eindigen.

De officier van justitie wil dat Arie dertig maanden in de gevangenis wordt opgesloten.
Zodra hij vrijkomt, mag hij drie jaar lang geen motorvoertuig besturen.
Vooral aan dat laatste heeft de samenleving iets, want de 26-jarige Arie is als automobilist uw potentiële moordenaar.

Een paar keer hoor ik hem tegen de rechters mompelen: ‘tWasnatuurlijkmijnbedoelingniet.’

Samen met Bas (die later terecht moet staan) had hij in september dit jaar ergens in Oost-Groningen een piratenfeest bezocht.
Biertje erbij, gezellig.

Rechters: ‘Had u veel gedronken?’
Arie: ‘Viel wel mee. Stuk of twintig.’
Eerder, op het politiebureau, had hij gezegd: stuk of dertig, veertig.

Ze wilden met de taxi naar huis, maar er was geen taxi.
Dus stapten ze in de auto, een afgeroste Peugeot met de remleiding stuk.
Remmen kon een beetje.
Met de handrem.
Zo rijden ze rijden naar zijn huis.

Arie heeft de bril niet op.
Zijn zicht op de buitenwereld is zonder glas zestig procent.
Geeft niks, zegt Arie, want hij weet natuurlijk heus wel waar hij woont in Finsterwolde.

Thuis drinken ze meer bier en zo wordt het half twee in de nacht.
Arie besluit dan dat hij naar Gretha wil, naar zijn vriendin die in Stadskanaal woont.
Bas gaat mee, evenals flesjes bier voor onderweg.

Buiten is het niet alleen donker, maar het regent ook.
En natuurlijk gaat het fout.
Ze naderen een rotonde en Arie denkt door al die lichtjes die hij daar ontwaart een fietser te zien.
Hij geeft een ruk aan het stuur om een aanrijding te voorkomen.
Maar er is daar op de rotonde geen fietser.
De auto knalt na die ruk aan het stuur het fietspad op.

En daar is wel een fietser.

De fiets wordt met een geschatte snelheid van 60 tot 80 kilometer per uur, vol geraakt en breekt in twee stukken.
De fietser – een 17-jarige jongen – vliegt door de lucht en komt meters verderop op het pad terecht.
Het 16-jarige meisje dat achterop zit, knalt eerst op de motorkap, dan op de voorruit en eindigt in de berm.

Beiden zijn zwaar gewond.
De jongen kruipt naar de berm en ziet dat zijn vriendinnetje geen teken van leven geeft.
Ze is buiten bewustzijn.
De jongen slaagt erin 112 te bellen.

Arie en Bas zijn doorgereden.
Tegen de rechters zegt Arie: ‘Ik heb geen fietser gezien. Ik dacht dat ik een paaltje had geraakt.’

In Onstwedde aangekomen, stoppen ze.
Bas, die geen rijbewijs heeft, wil nu achter het stuur zitten.
Arie vindt dat best.
Hij is toch al moe.
Wanneer ze van plek verwisselen zien ze dat een koplamp stuk is en de motorkap verbogen.
Dat de voorruit is versplinterd – door die klap – hadden ze natuurlijk al gezien.

In Stadskanaal trekt de auto de aandacht van de politie.
De achtervolging wordt ingezet, waarbij de politieauto tot twee keer toe wordt geramd.
Een keer komen de agenten daardoor bijna in botsing met een bus bij discotheek Fox in Stadskanaal. Na een achtervolging van 17 kilometer weet de politie het duo tot stoppen te dwingen.
Bas rent weg, maar wordt ingehaald.

Arie mompelt dat hij van de hele achtervolging niets heeft meegekregen.
Arie zegt dat hij in slaap was gevallen.
De agenten hadden hem, met getrokken pistolen, uit de auto gesleurd.

De officier van justitie zegt dat Arie de kans heeft aanvaard dat het mis zou gaan.
‘Een fractie anders en de jongen en het meisje hadden het niet na kunnen vertellen.
Arie vroeg om ellende.’

De kwalificatie van het openbaar ministerie: een poging tot doodslag (op de jongen en het meisje) en medeplichtigheid aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (het rammen van de agenten in de politieauto).
Alles afwegende, zegt de officier van justitie, is dit goed voor een eis van drie jaar gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk.

De advocaat meent dat van een poging tot doodslag geen sprake kan zijn, want de opzet ontbreekt. ‘Mag een automobilist op een nachtelijk tijdstip een fietser op het fietspad verwachten? Ik vind van niet.’
En het rammen van een politieauto kan Arie – als slapende bijrijder – al helemaal niet worden aangerekend, zegt de advocaat.

De advocaat meent dat Arie ook het rijbewijs terug moet krijgen.
Het rijbewijs is hij nu al drie maanden kwijt en hij heeft een rijbewijs nodig.
De officier van justitie: ‘Ik dacht al, ik ben iets vergeten. Ik eis ook dat de rechtbank een rijontzegging oplegt van drie jaar.’

Arie heeft niet veel meer gezegd dan dat het natuurlijk niet de bedoeling was.
De rechters vragen hem of hij dan tot slot, als laatste woord, nog wat te zeggen heeft?

Arie: ”Nâh’

De rechters, laatste poging: ‘Wilt u ook niets zeggen tegen de slachtoffers die achter u in de zaal zitten?’

Arie: ”Neuh.’

Arie is een hork.
Misschien kan hij daar wel niets aan doen.
Misschien wil hij ook helemaal niet zo zijn.
In dat geval is er hoop.

Alle andere verdachten die dit jaar door de rechtbank naar het gevang werden gestuurd, waren minder grote horken dan Arie.
Dus wanneer hij de komende jaren een voorbeeld neemt aan zijn medegedetineerden, is de kans vrij groot dat hij er als een beter mens uitkomt.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 30 december 2011 – uitspraak
De Hork mag in zijn handen knijpen, denk ik: 30 maanden cel waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een rijontzegging van 3 jaar. Arie is vrijgesproken voor de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van de agenten.

HET VONNIS (zodra beschikbaar)

Het gebeuren

Een gebeuren, groot of klein, heeft een verloop.

Ik heb koffie gehaald, ben gaan zitten aan mijn bureau, de computer aangezet, mijn aantekeningen voor dit verhaal opgezocht en nog eens doorgelezen.
Daarna heb ik een mailtje verstuurd naar iemand met het verzoek mij te bellen.
Nog een kop koffie.
Ben weer gaan zitten en tikte toen: Het gebeuren.

Aan bovenstaande gebeurtenis valt niet veel af te dingen.
Zo is het mij in mijn eentje vrijdagochtend op 23 december 2011, rond tien uur ‘s ochtends vergaan.
En niet anders.

Het verloop van een gebeurtenis wordt al snel anders zodra er twee mensen bij betrokken zijn.
Aan een gebeurtenis waarbij twee mensen betrokken zijn, valt van alles af te dingen.

Harrie en Herman zijn al elf jaar dikke vrienden.
Harrie is 52 jaar en dat is Herman om en nabij ook.
Op een nacht, in dit geval die van 2 op 3 augustus, is Herman bij Harrie op bezoek.
Herman had, op verzoek van Harrie, wat bier meegenomen en dat drinken ze samen op.
Wanneer dat zo is, het bier op, laten ze een taxi komen met meer bier.
Tussen de blikjes bier door blowen ze wat.
En op de achtergrond klinkt klassieke muziek.

Dronken zijn ze niet.
Wel een beetje aangeschoten.

Harrie zegt tegen de rechters dat het aanvankelijk wel gezellig was.
Maar dat Herman op een gegeven moment vervelend begon te worden.
Harrie: ‘Hij wilde midden in de nacht gaan koken. Bami. Daar had ik geen zin in. Hij haalde eten uit mijn kast. Ik zei toen, Herman, ik wil dit niet, ik wil dat je nu weggaat.’

In de keuken ligt een mes.

Harrie blijft zeggen dat Herman moet vertrekken.
Herman doet dat niet, dan wel niet direct.

De keuken is maar klein.

Harrie pakt het mes, zwaait er mee, dreigt te steken, vloekt en steekt Herman in de borst.
Herman roept au en vloekt ook.

Rond vier uur die nacht komt bij de politie de melding binnen dat er iemand in een woning is neergestoken.
Met een ambulance wordt Herman naar het ziekenhuis gebracht.
Artsen zullen later zeggen dat het maar weinig scheelde of het hart was geraakt.
Herman ligt negen dagen in het ziekenhuis.
Hij heeft geluk gehad.

Tegen de rechters zegt Harrie dat het op een ongelukkige manier is misgegaan.
Zegt: ‘Hij is een vriend, die steek je toch niet. Ja, ik heb hem wel geraakt. Maar niet met opzet. Het is een uit de hand gelopen ongelukkigheid’
Zegt: ‘Dat ik dat mes pakte, was een stupiditeit van hier tot Tokyo.’

Herman zegt dat de gebeurtenissen een ander verloop hebben gehad.
Herman zegt dat zijn vriend Harrie ineens op hem afliep en hem stak.
Niks per ongeluk.
Herman zegt dat het een regelrechte aanslag op zijn leven is geweest.
‘Hij liep op mij af en stak als een bliksemflits uit heldere hemel.’

De rechters vragen aan Harrie wat er gebeurde na het steken.
Harrie: ‘Nou, toen was partytime wel over.’
Rechters: ‘Waarom heeft u niet direct 112 gebeld?’
Harrie: ‘Ik had niet direct in de gaten hoe erg het was.’

Ik hoor hoe Herman, heel rustig, zegt tegen Harrie dat hij leegloopt.
Dat Harrie zegt: ‘Laat eens kijken’
Dat ze samen zeggen: ‘Daar moet een klein hechtinkje in.’
Op de achtergrond klinkt nog altijd klassieke muziek.

Uiteindelijk is het Herman die, rond vier uur die nacht, zittend op de bank, 112 belt.

En dan is er nog een gebeurtenis.
Nadat 112 is gebeld, zegt Herman tegen Harrie dat hij hem er niet bij zal lappen.
Hij zal geen aangifte doen.
Hij zal zeggen dat hij buiten door een donkere man is neergestoken.
De vriendschap bestaat nog.

Maar in het ziekenhuis bedenkt Herman zich.
Aan de politie vertelt hij dat Harrie hem heeft neergestoken, waarna Harrie wordt aangehouden.

Herman zal later zeggen dat het vriendschappelijke akkoordje was bedoeld om Harrie af te leiden, om het hem niet nog gewelddadiger te maken.
‘Ik was bang voor hem, bang dat hij opnieuw zou steken.’

In de rechtszaal wordt (tijdens twee zittingen) naar de waarheid achter deze gebeurtenis gezocht.

Was het een ongelukkige samenloop van omstandigheden?
Harrie: ‘Helaas wel ja.’
Of een kille aanslag van Harrie op Herman, een gerichte actie?
Herman: ‘Ja, dat was het.’

De officier van justitie moet de gebeurtenis in de keuken vertalen in juridische feitelijkheden.
In de werkelijkheid is er maar één verloop.
Maar in de beleving van de werkelijkheid zijn er meerdere.

In de rechtszaal gaat het om welke werkelijkheid het meest aannemelijk is op basis van feitelijkheden.
De waarheid is in de rechtszaal maar een relatief begrip.

De officier van justitie concludeert dat deze gebeurtenis veel onduidelijkheden kent.
Maar dat de lezing van verdachte Harrie het meest aannemelijk is.
Dat er in de keuken die nacht een bizar ongeluk is gebeurd.
Dat Harrie geen opzet heeft gehad op het steken.
Dat hij dus moet worden vrijgesproken van een poging tot doodslag.

De officier van justitie: ‘Wat resteert is een bedreiging, een heel heftige bedreiging want de gevolgen zijn er niet minder om.’
De officier van justitie vindt niet dat Harrie terug moet naar de gevangenis.
Hij heeft lang genoeg gezeten.
Voor de bedreiging eist ze de tijd die Harrie al heeft vastgezeten – een paar weken – en een maand voorwaardelijke celstraf.
Daarnaast moet Harrie zo’n duizend euro schadevergoeding betalen.

Wanneer Harrie in de rechtszaal het laatste woord krijgt, draait hij zich om, naar zijn voormalige vriend die op de tribune zit.
Zegt, met de armen in de lucht: ‘Het spijt mij verschrikkelijk.’
Herman gaat staan, wil nog van alles zeggen want hij is het niet eens met de officier van justitie.
Om dat te onderstrepen trekt hij zijn T-shirt uit om de rechters de littekens van het gebeuren te tonen.
De rechters zeggen dat zoiets in de rechtszaal ongepast is en geven Harrie voor de tweede keer het laatste woord.

Rob Zijlstra

.

naschrift
Dit verhaal is gebaseerd op twee zittingen, op 28 november en 22 december, die deze strafzaak kende.
Daarnaast heb ik een geluidopname van een half uur beluisterd die door Herman is gemaakt. De opname bevat onder meer de woordenwisseling in de keuken, het moment van steken en de vijf minuten die daarna volgen.
De opname – van niet al te beste kwaliteit – schept geen duidelijkheid.
Het kan beide verhalen ondersteunen.

.

UPDATE – 30 december 2011 – uitspraak
Harrie is veroordeeld tot 45 dagen celstraf waarvan 30 dagen voorwaardelijk. Aan zijn voormalige vriend moet hij 1.712 euro en 58 eurocent schadevergoeding betalen.

Maatwerk

Marcus is met zijn 71 levensjaren de op een na oudste verdachte die dit jaar in zittingszaal 14 terecht moest staan.
Van de vijf andere 65-plussers die dit jaar voor het hekje stonden in 14, hadden vier zich schuldig gemaakt aan ontucht.
Marcus niet.
Hij zat er voor een poging tot doodslag dan wel een poging tot moord op zijn partner.
Eerst probeerde hij het door met een dumbell – dat is een gewichtshalter – tegen haar hoofd te slaan.
Daarna kneep hij haar keel, mond en neus dicht en beet hij haar flink in de rug.

Bij een poging heb je het wel geprobeerd, maar is voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De zitting die ruim drie uur duurde, maakte de heer Marcus er niet jonger op.
Hij had het zichtbaar zwaar.
De officier van justitie zei halverwege dat we moeten oppassen deze verdachte niet als een slachtoffer te zien.
Hij is verdachte die wordt verdacht van een zeer ernstig strafbaar feit.

De buurman had de politie gealarmeerd.
Buurman had angstschreeuwen (‘help, help’) gehoord en was poolshoogte gaan nemen.
In de portiek had hij aan buurman, die hij bovenop buurvrouw zag zitten, gevraagd: ‘Buurman, wat ben je aan het doen?’
Marcus had volgens hem geantwoord: ‘Ik ga haar doodmaken.’
Buurman had daarop gezegd dat hij 112 ging bellen.

Toen de politie ter plaatste kwam – ’s ochtends rond koffietijd – troffen ze een gewonde vrouw aan, met een opgezwollen gezicht en bloed op de grond.

Ze hadden elkaar in 1995 leren kennen.
Twee jaar later trouwden ze.
Samen hebben ze een dochter van 15 jaar.

Marcus komt uit het zuiden van het land.
Zij is van de Filippijnen.
Het boterde al jaren niet meer.
De politie was er wel eens aan de deur geweest.
In 2006 had zij een keertje aangifte gedaan wegens mishandeling.

In de buurt heeft Marcus de naam een aardige man te zijn.
De psychiater had daar aan toegevoegd dat Marcus een perfectionistische man is met een gebrekkige woedebeheersing.

Ze woonden al jaren gescheiden in zijn woning.
Hij deed de huishouding en de opvoeding van hun dochter.
Zij ging vaak weg, zei Marcus.
Dan vetrok ze met de noorderzon om plots, maar vaak maanden later, weer op te duiken.
Ondertussen maakte ze schulden van zijn geld.

In februari dit jaar was het weer eens zover.
Zij weg.
Hij beloofde zijn dochter: ‘Als moeder terugkomt, dan zal ik niets zeggen.’
Tegen de rechters: ‘Ik wil mijn dochter niet verliezen.’

Op 16 juni, vier maanden later en even na middernacht, kwam ze thuis.
Marcus trok zich terug in zijn kamer en bleef daar weken zitten.’
Tegen de rechters: ‘Om mezelf op te vreten.’

Zo nu en dan werden er over en weer lelijke woorden gesproken.
Marcus zou hebben gezegd dat hij een boek had, The perfect crime.
Iets met gemalen glas.
Je kist staan al klaar, zou hij door de muren hebben geschreeuwd.
Marcus ontkent dat: ‘Zo’n boek heb ik helemaal niet. Klinkklare onzin.’

Rechters: ‘Ging u aan de drank?’
Marcus: ‘Ja. Af en toe een klokje. Ik mocht twee glaasjes wijn per dag van de dokter.’

Op 6 juli gaat het hartstikke mis.
Marcus: ‘Ik was in de slaapkamer, zij in de woonkamer. Ze telefoneerde en ik hoorde haar irritante stem. Toen knapte er iets, ik raakte door de dolle heen, het werd me te veel.’
De officier van justitie: ‘Het liep toen gigantisch uit de klauwen.’
Marcus: ‘Ik wilde haar niet vermoorden. Ik wilde haar de les lezen.’

Rechters: ‘Bent u ook geschrokken van wat er is gebeurd?’
Marcus, met verbazing: ‘Ja natuurlijk.’

De officier van justitie moet een keuze maken: is het een poging tot moord of een poging tot doodslag?
Marcus kan zich niet alles meer herinneren wat er nou precies is gebeurd.
Maar dat hij tegen de buurman zou hebben gezegd ‘ik ga haar doodmaken’ is niet waar.
Hoe hij dat dan wel zo zeker weet?
Marcus: ‘Dat weet ik gewoon. Honderd procent.’

Wie roept iemand dood te gaan maken en vervolgens probeert de daad bij het woord te voegen, handelt voorbedacht en dan is het een moordpoging.
Wie plots in blinde woede ontsteekt, knapt van opgekropte frustraties, en dan iemand met een dumbell van 2500 gram naar het leven staat, doet aan een poging tot doodslag.

De officier van justitie denkt van alle twee een beetje.
Eerst wilde hij haar in koelen bloede vermoorden.
Want dat riep hij.
Dat had de buurman immers horen zeggen.
Later had Marcus gezegd dat dat niet zo is, dat hij zoiets nooit heeft geroepen.

Van alle twee een beetje kan juridisch niet.

Misschien dat de officier van justitie dacht: bij een poging tot moord kan ik het niet maken een taakstraf te eisen, want daar krijg je Haags gedonder van.
En maar aangescherpte wetswijzigingen.
Dat hij wellicht dacht: Om Marcus met zijn 71 levensjaren terug naar de gevangenis te sturen, is ook zo wat en zeker geen maatwerk, terwijl goed recht dat wel moet zijn.

Na veel wikken en wegen besluit de aanklager dat wat op die woensdagochtend rond koffietijd is gebeurd, een poging tot doodslag mag heten.
De bijbehorende eis: gevangenisstraf voor de duur die Marcus al heeft ondergaan in voorlopige hechtenis – een paar weken – een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar en een taakstraf van 240 uur.
Met een contactverbod.
Proeftijd 2 jaar.

Filippine woont nog altijd met zijn schulden in zijn woning in de stad Groningen.
Marcus huurt ergens aan de kust een vakantiehuisje.
Dochter woont bij haar, maar is liever bij hem.

Rechters: ‘Nog niet gescheiden?’
Marcus, afgemat: ‘Die ga ik na deze strafzaak in gang zetten.’

Rob Zijlstra

uitspraak op 30 december

Haagse gokjongens

foto: dvhn / harma zwiers-boer

In dit verhaal rijden twee mannen op een regenachtige woensdagochtend in augustus van Den Haag naar Winschoten.
Daar, in de Langestraat, plegen ze een gewapende overval op de juwelier.
Ze vluchten zonder buit om na een wilde achtervolging te worden aangehouden in Grolloo.

Waarom doen twee mannen uit Den Haag zoiets?
In Winschoten.

De ene man is Adeel, 18 jaar.
De ander heet Yaar, hij is vier jaar ouder.
Samen zijn ze twee welgemanierde broers, want streng doch rechtvaardig en met normen en waarden opgevoed.
Hun vader was eens vanuit Pakistan in Nederland neergestreken en wist door hier hard te werken een mooi autobedrijf op te bouwen.

Adeel werkte naast zijn opleiding in het bedrijf van zijn vader.
Yaar deed dat af en toe ook.
In ruil kregen ze salaris in de vorm van zakgeld, ongeveer 2000 tot 2500 euro per maand.
Misschien dacht de trotse vader wel dat zijn welgemanierde zonen het bedrijf op een mooie dag zouden overnemen.

Maar Adeel en Yaar waren met heel andere zaken bezig.
Met al dat zakgeld konden ze blowen wat ze wilden en dat deden ze dan ook.
Af en toe wat cocaïne erbij.

Daarnaast hielden ze zich bezig met gokken.
Thuis vertelden ze hier niets over, want op drugs en gokken rustte binnen de familie een groot taboe.
Op een dag bedroeg de gokschuld 50.000 euro.

Tegen de rechters zeggen Adeel en Yaar dat ze werden bedreigd.
Wanneer ze de schuld niet zouden inlossen, dan zouden ze worden gepakt.
Ze waren bang geworden, want ze kenden die Haagse gokjongens.

En zo gebeurde het dat ze op een regenachtige woensdagochtend in een Toyota naar Winschoten reden.
Tegen kwart voor tien denderden ze de juwelierszaak Jan ten Hoor binnen, met bivakmutsen over de kop.
Binnen riepen ze: ‘Dit is een overval.’

De twee doodsbange medewerksters werden gedwongen op de grond te gaan liggen.
De handen van een van hen werden met tape aan elkaar geplakt, de andere vrouw kreeg een klap op haar hoofd met het wapen.

Tegen de rechters: ‘We zijn gedwongen. Gedwongen door die jongens die vaker overvallen hadden gepleegd. Zou het lukken, dan zou de schuld worden kwijtgescholden.’

De overval mislukt.
Omstanders en personeel van winkels in de buurt hadden al snel in de gaten dat er bij Jan ten Hoor iets niet in de haak was.
Een paar gingen bij de schuivende voordeur staan die daardoor steeds met belsignalen open- en dichtging.
De twee broers raakten in paniek en gingen er zonder buit vandoor.

Achterna gehold door omstanders wisten ze hun auto te bereiken en plankgas weg te rijden.
De via 112 gewaarschuwde politie zette met uiteindelijk acht auto’s en getrokken pistolen de achtervolging in.

Via de snelweg scheurden ze richting Groningen, namen halverwege de afslag Veendam en reden over de N33 met 180 kilometer per uur Drenthe in.
Richting Rolde.
Daar namen ze de afslag Grolloo.
Ineens was er een scherpe bocht.
Over en uit.

Zo is het gegaan.

Niks van waar, zegt officier van justitie.
Hij gelooft niet het verhaal van die boze gokjongens, dat ze bang waren en werden bedreigd.
De officier van justitie gelooft dat niet omdat hij meer weet en wat in dit verhaal nog is verteld.

Want waarom Winschoten?
Waarom niet een juwelier in Den Haag of Deventer, in Apeldoorn desnoods?

Was het niet zo dat Adeel een vriendinnetje had dat in Winschoten had gewoond?
En dat de moeder van dat vriendinnetje in de juwelierszaak had gewerkt, maar nooit op woensdagochtend?
En als Adeel en Yaar beweren dat ze nooit eerder in de juwelierszaak zijn geweest, hoe verklaren ze dan het filmpje dat is aangetroffen in de BlackBerry van Adeel?
Een filmpje, gemaakt op 19 juli, met beelden van het interieur van Jan ten Hoor.

En wat heeft de foto van een vuurwapen in de BlackBerry van Yaar te betekenen?
Een foto, gemaakt op 20 juli, van het wapen (alarmpistool, merk Bruni, model 92) dat bij de overval is gebruikt.

Adeel en Yaar blijven de antwoorden schuldig.
Adeel wil wel kwijt dat hij niet met het pistool heeft geslagen.
Verder willen ze er niet op ingaan.
De officier van justitie: ‘De heren geven geen openheid van zaken.’
Hij concludeert dat de twee Haagse broers de overval weken van te voren hebben voorbereid.

Ze zitten nu vast in het huis van bewaring van Ter Apel.
Ze zeggen dat ze in de spiegel hebben gekeken en dat ze zich diep schamen.
Yaar vertelt dat hij het al flink te kwaad had gekregen toen hij de angst in de ogen van de twee medewerksters zag.

De officier van justitie haalt de schouders op en zegt dat richtlijnen van het openbaar ministerie een gevangenisstraf van 35 maanden voorstellen.
Dat het een poging is – want zonder buit – mag nauwelijks tellen: het is wel een poging die ver was gevorderd.
Dan was er nog de levensgevaarlijke vlucht met hoge snelheden over de weg.

Adeel en Yaar laten weten dat zodra ze vrij komen, ze waarschijnlijk weer thuis mogen komen.
Maar dat hun vader dan eerst wel even met hen wil praten.
Yaar: ‘Hard praten.’

Wat de officier van justitie betreft, blijft hen dat gesprek nog even bespaard.
Hij eist voor de mislukte overval en het verhaal dat hij niet gelooft 40 maanden gevangenisstraf.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 29 december 2011 – uitspraken
Adeel en Yaar zijn veroordeeld tot 24 maanden celstraf p.p.. De rechtbank komt tot een lagere straf ten opzichte van de eis omdat de levensgevaarlijke vlucht – het verkeersgedrag – niet is meegenomen.

Oudere Berichten »

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 237 other followers