De verliezer

Rick snapt dat zelf ook wel.
Dus dat als je inbreekt bij mensen, dat die mensen daar dan een trauma aan kunnen overhouden.
Tegen zijn rechters: ‘Nee, dat is niet leuk natuurlijk. Sorry.’

Rick is een verliezer.
Een flink deel van zijn volwassen leven – hij is 23 jaar – heeft hij doorgebracht in de gevangenis.
Rechters: ‘Beseft u wel dat u op een kruispunt staat van uw leven?’
Rick knikt.
Dat is natuurlijk ook niet leuk.
Hij zegt: ‘Ik ben in de bloei van mijn leven. Ik ben van plan mijn leven te beteren.’
Rechters: ‘Van plan, van plan… dat klinkt wel wat magertjes.’

Rick is een verliezer omdat hij het spel nog steeds niet goed begrijpt.
Een paar jaar geleden, in 2011 toen hij nog maar 20 jaar was, reed hij samen met een visvriendje als een dolleman door Oost-Groningen.
In Scheemda hadden ze drugs gekocht om even later in Beerta met bivakmutsen over hun koppen woningen binnen te knallen om mensen te beroven.
Ze stalen een auto en zonder rijvaardigheden – want beide geen rijbewijs – reden ze beneveld als ze waren in Finsterwolde een vrouw van haar scooter en terug in Scheemda een vrouw van haar fiets.
De een brak haar schouder, de ander een pols.
Om te voorkomen dat ze achtervolgd zouden worden door de politie, gooiden ze vanuit de rijdende auto stukken ijzer op de weg.

Tijdens de rechtszaak had Rick toen niet zo heel veel gezegd.
Ja, sorry.
En dat hij dronken was geweest en zo.
De officier van justitie zei dat de samenleving zich ernstige zorgen moet maken betreffende de toekomst en eiste vervolgens vijf jaar celstraf.
Dat is nogal wat, helemaal voor een 20-jarige.
De rechters maakten er een onsje minder van: vier jaar celstraf, een jaar voorwaardelijk en na detentie een verplichte behandeling.

Het heeft allemaal niet zo veel geholpen.
Hij was vrijgekomen in 2012 en overgedragen aan de hulpverleners.
Terwijl die met hem bezig waren, werd het 1 januari 2014, de toekomst waar met zorg over was gesproken.
Vroeg in de ochtend van het nieuwe jaar denderde hij in een straat in Winschoten drie woningen binnen, op zoek naar spullen.
Tegen een bewoner die wakker was geworden van het lawaai had hij, gewapend met een verfkrabber, geroepen: ‘Geld, ik moet geld hebben want er zitten criminelen achter mij aan.’

De geschrokken bewoner wist hem te verjagen.
In de vlucht graaide hij nog een flesje bier mee.
‘Dat stond daar’, zegt hij tegen de rechters.
Drie minuten later stond hij in de woning van de buren.
Rick gaat driest tekeer.
Overal waar hij via de ramen naar binnen dringt, laat hij bloed achter.
In een woning besmeurt hij de woonkamer, de hal, de trapopgang en de overloop met zijn bloed.
Er moet een schoonmaakbedrijf aan te pas komen.
Kosten: 6.000 euro.

In de rechtszaal vertelt de bewoonster over de enorme impact die de actie op haar en haar kinderen heeft gehad.
Ze zegt: ‘Het leek wel een slachthuis. Eerst dachten de kinderen, vanwege al dat bloed, dat ik dood was. Nu zijn ze, acht maanden later, nog steeds bang.’
Rick: ‘Ik heb wel spijt hoor, ik snap het wel.’

Rick had toen al geleerd dat slachtoffer een inbraak als traumatisch kunnen ervaren.
Maar zelf had hij het in zijn rotjeugd ook niet gemakkelijk gehad.
Dat hadden de rechters ook wel gelezen.
Ze waren dus niet heel verbaasd om te lezen dat Rick niet van de drugs kan afblijven en dat hij gokverslaafd is met schulden.
Ja, ook aan de speeltafel is hij de verliezer.

De reclassering heeft aan de rechtbank gerapporteerd dat Rick een kwetsbare jongeman is die ontzettend makkelijk te beïnvloeden is.
Hij is psychosegevoelig wat in combinatie met drugsgebruik bloedlink is.
De reclassering recidiveert: ‘Grote zorgen voor de toekomst, kans op herhaling is groot.’

Rick heeft wel ideeën over hoe hij verder moet met zijn bloeiende leven.
Hij zegt: ‘Ik wil een eigen appartementje, met een eigen douche, eigen toilet en een eigen coach.’
Hij wil dus best begeleid worden, maar een beetje vrijheid vindt hij ook wel belangrijk.
Hij bedoelt: ‘Ik mag geeneens geen bier meer drinken. Dat is natuurlijk niet leuk.’
De rechters: ‘Wat u prettig vindt of niet, dat interesseert ons niet zo. De vraag is: hoe houden we u op het rechte pad.’
Rick knikt. Ook dat snapt hij. Maar toch.

De officier van justitie spreekt van een moeilijk geval.
Wat is nou een passende straf voor zo een verdachte?
Hij had met zijn collega’s lang over de zaak gesproken en ze waren niet tot een eensluidende conclusie gekomen.
De officier van justitie: ‘Een afpersing, inbraken in woningen, gedurende de nachtelijke uren, in zijn proeftijd, veel bloed, doodsbange kinderen. De richtlijnen wijzen dan een lange gevangenisstraf aan opdat het doel van het strafrecht wordt bereikt: wraakneming, genoegdoening voor de slachtoffers, generale preventie, norminprenting. Opdat iedereen weet, als je dit doet, krijg je een forse straf.’

De officier van justitie kijkt terwijl hij spreekt af en toe indringend naar Rick die misschien op dat moment denkt aan de situatie van drie jaar geleden toen hij in dezelfde rechtszaal zat en vijf jaar hoorde eisen. De officier van justitie: ‘Hij zegt dat ie spijt heeft, maar dat is hier wel heel gemakkelijk gezegd. Toch moet ik ook rekening houden met zijn belangen.’

De reclassering heeft geadviseerd om Rick niet terug te sturen naar de gevangenis.
Dat zal averechts werken, verwacht de reclassering.
Rick immers is zo beïnvloedbaar dat hij in de gevangenis met al die foute vriendjes daar de verkeerde afslag zal nemen.
En dan gaat het fout.
Alles wat hij tot nu toe heeft geleerd, zal achter de tralies rap verloren gaan, zo vreest de hulpverlening.

De officier van justitie moet alles tegen elkaar afwegen, benoemt het dilemma en als hij dat heeft gedaan eist hij tegen het advies in een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan de helft voorwaardelijk.
Dat zou betekenen in het geval de rechters de eis over twee weken overnemen, dat Rick terug zal keren naar het gevang waar het dan fout zal gaan.
De officier van justitie beseft dat.
Hij zegt: ‘Er is hier sprake van een verlies-verlies-situatie.’

Rob Zijlstra

uitspraak 1 september

Nieuwe serie

artikel 1

De vakantie is definitief voorbij (voor mij).

Zittingszaal 14 is klaar voor een nieuwe serie rechtbankverhalen over kleine en grote misdaden en over de mensen die zich daar op de een of de andere manier, al dan niet beroepsmatig of ongewild, mee bezighouden.de

Dit blog krijgt de komende maanden een wat andere invulling; de verhalen blijven, maar de toeters en bellen die er in de loop der jaren zijn bijgekomen verdwijnen.
Intussen wil ik nieuwe dingen uitproberen.

Over vijf maanden bestaat zittingszaal 14 welgeteld en zonder onderbreking 10 jaar.
Dat heeft meer dan duizend authentieke schetsen opgeleverd van gebeurtenissen uit het alledaagse leven, hoe bizar soms ook.
Met maandelijks rond de 40.000 bezoekers prijs ik mij bijzonder gelukkig.

Maar zonder vernieuwingen geen toekomst.
Op welke manier en hoe, dat weet ik nog niet.
Uitgangspunt blijft dat ik de strafrechtspraak en al haar deelnemers een gezicht wil geven.
Middels verhalen op dit blog, in de krant, middels lezingen in zalen en zaaltjes.

Vanaf aanstaande zaterdag staan mijn verhalen ook weer wekelijks in de weekeinde-bijlage van Dagblad van het Noorden.
Zaterdag gaat het over Rick, over de man met wie het fout zal gaan omdat hij een man is die het spel niet begrijpt en daarom altijd verliest.

U wordt er misschien niet altijd vrolijk van, ik hoop wel dat u mij blijft lezen.

groet, Rob Zijlstra

deze

Eis tegen niemand

Juridisch bezien zou

de prostitutie van vandaag

de dag ook wel verkrachting kunnen heten

 

.

Schermafbeelding 2014-07-12 om 03.20.40Een nu 34-jarige man uit Tsjechië stond afgelopen donderdag terecht voor de rechtbank van Groningen wegens mensenhandel.
Dat wil zeggen: hij stond op papier.

De aanpak van mensenhandel – met als doel die te bestrijden – heet een speerpunt te zijn.
Dat betekent dat deze vorm van zware misdaad extra aandacht krijgt en als het even kan met grote voortvarendheid wordt aangepakt.
Ook in Noord-Nederland.

Op 26 januari 2006 deed een jonge vrouw uit Tsjechië aangifte bij de politie in Groningen.
Wat ze deed – de hoer spelen achter de ramen in de Groningen (en soms ook in benauwde kamertjes in Leeuwarden) –  deed ze omdat ze daartoe werd gedwongen door een man die haar met een grote grijze Citroën naar Nederland had gebracht.
Ze moest 450 euro per week voor haar peeskamertje betalen, het geld dat ze verdiende – soms wel 2.000 euro in de week – moest ze afdragen.
Ze werkte vijftien, zestien uur per dag, ook wanneer ze ziek was of ongesteld.
Ze werd gecontroleerd en regelmatig in elkaar geslagen.
Dat hoorde er gewoon bij.

De man die al dit naars op zijn geweten zou hebben, had haar gekocht van zigeuners in Tsjechië.
Zij had zich op 18-jarige leeftijd bij hen aangesloten omdat ze te oud was geworden voor het kindertehuis waar ze haar rotjeugd had versleten.
De zigeuners beloofden haar van alles, maar ze belandde in seksclubs.
Toen was die man gekomen.
Hij had duizend euro voor haar betaald.
Daarmee was hij haar vriend geworden.

Drie jaar had ze voor hem gewerkt in een bordeel.
Op een dag zei haar ’vriend’ dat ze naar Nederland zouden gaan, naar Groningen waar ze bergen met geld zouden verdienen aan Groninger mannen.
Op de dag van aankomst in Groningen moest ze direct aan de slag.
Op de eerste werkdag verdiende ze 800 euro, maar ze bleef met lege handen zitten.
Ze moest alles afdragen.

Een ernstig verhaal, dat politiemensen die zich bezighouden met de bestrijding van mensenhandel niet heel vreemd voorkomt.
Zij kennen dit soort verhalen, soms nog veel erger.

Juridisch bezien zou prostitutie van vandaag de dag ook verkrachting kunnen heten.
Legale verkrachting, want de burgemeester – de overheid – heeft er een vergunning voor verstrekt.
Wie legaal een vrouw wil verkrachten, een vrouw seksueel binnen wil dringen, is vijftig tot zestig euro kwijt.
Wie zoiets spotgoedkoop wil, kan zieke vrouwen verkrachten op de gemeentelijke tippelzone (Groningen, Bornholmstraat).
Ook dat is daar door de overheid goed geregeld.

Dit terzijde.

Het verhaal van de jonge vrouw leidt in 2006 tot een onderzoek dat de codenaam ‘Vleugel’ krijgt. Vleugellam was misschien een betere benaming geweest.
Als gevolg van andere onderzoeken in dezelfde sfeer wordt Vleugel in de loop van 2006 stilgelegd om in 2009 weer te worden opgepakt.
En dan is het snel raak.
De verdachte in dit verhaal heet Richard D., in 1979 geboren in Chomutov.
De politie weet hem rap op te sporen: op 21 juni 2010 wordt hij op verzoek van de Nederlandse autoriteiten in Tsjechië aangehouden.
Hij ontkent.
Jawel, hij heeft in 2005 en ook in 2006 wel eens meisjes naar Nederland, naar Groningen gebracht, maar verder is zijn naam haas.
Hij is geen mensenhandelaar, hij handelt in autobanden, dat is heel iets anders.

Hij zit een paar dagen vast voor verhoor en mag dan gaan.
Op 25 januari 2012 is er de rechtszaak in Groningen.
Richard D. komt niet opdagen.
Hij is in Tsjechië waar hij altijd is.
Naar Groningen kwam hij alleen om geld op te halen.

De advocaat wil nieuwe getuigen horen wat tot vertraging leidt.
Groninger politieagenten reizen af naar Tsjechië, horen de getuigen en zetten alles op papier.
Er wordt een nieuwe rechtszaak gepland op 27 juni 2013.
Die gaat niet door omdat niemand weet waar de verdachte dan is.
En hij moet wel weten dat er een rechtszaak tegen hem is, dat vereist de wet.

Afgelopen donderdag ging de rechtszaak wel door.
De vrouw die Richard D. als een slavin zou hebben uitgebuit zit met een tolk in de rechtszaal.
Richard D. is er weer niet.
Op de dagvaarding staat dat hij ‘zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland’ is.

De rechters zeggen ambtshalve te weten dat Richard D. in Tsjechië bij zijn moeder woont ‘op een bekend adres’.

De officier van justitie reageert daar niet op, maar zegt dat het inderdaad allemaal veel te lang heeft geduurd, ze zegt dat de redelijke termijn is overschreden.
Niet goed, dat moet een kleine consequentie hebben.

Ze zal daarom geen achttien maanden gevangenisstraf eisen, maar een jaar.
Verdachte heeft recht op korting.
Daarnaast moet verdachte, vindt de officier van justitie, nog wel 15.000 euro aan de vrouw betalen die hij heeft uitgebuit.
De slavin zelf heeft een claim van 100.000 euro ingediend.

De advocaat vindt dat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging heeft verspeeld. Wanneer in januari 2006 aangifte wordt gedaan en de verdachte vervolgens ruim vier jaar later, in juni 2010, wordt aangehouden kun je weer vier jaar later, juli 2014, niet nog eens een vrijheidsstraf van een jaar eisen tegen iemand die niet eens in Nederland woont.
Dus…

De rechters hebben twee weken nodig om uitspraak te doen.

Rob Zijlstra

.

naschrift voor het idee
Deze veel te late strafzaak zonder verdachte duurde bijna drie uur.
De zitting werd beroepsmatig bijgewoond door vijftien mensen, in de vorm van personen.
Er was een officier van justitie [1], drie strafrechters [4], een griffier [5], een bode (gerechtsdeurwaarder) [6], een advocaat (jan boone, toegevoegd) [7], een tolk (voor het slachtoffer) [8], een parketwachter (politie) [9], drie rechercheurs (politie) [12] en drie verslaggevers [15].
De drie verslaggevers zaten er op eigen kosten – zij het dat een [1] van hen werkt voor een door de overheid gesubsidieerde (regionale) omroep.
De overige twaalf beroepsmatig aanwezigen zijn (of worden) betaald door de overheid.

 

UPDATE – 24 juli 2014 – uitspraak
Richard D. is veroordeeld tot 18 maanden celstraf. Aan twee van zijn slachtoffers moet hij opgeteld 30.985 euro betalen.

Klokjes

klokjesWat Pim hoorde was helemaal niet zo raar.
Hij hoorde zeggen dat op de Filipijnen een tekort aan medicijnen is, medicijnen die de mensen wel nodig hebben.
Zij daar nog meer dan wij hier.

Wie dat zei?
Een stem in het hoofd van Pim.
Hij dacht lang na en besloot medicijnen op te sturen.
De stem: ‘Maar Pim, hoe ga je dat doen, hoe kom je dan aan geld?’
Pim: ‘Weet jij iets?’
De stem: ‘Pleeg een overval.’
Pim: ‘Dat is een goed idee.’

En zo geschiedde.
Op 14 november vorig jaar – een donderdag, een koopavond – fietst Pim naar de binnenstad van Groningen en zet zijn fiets tegen de Hema aan.
Dan loopt hij naar de juwelierszaak van Siebel, iets verderop.

Als hij de zaak betreedt, trekt hij een bivakmuts over het hoofd en roept: ‘Klokjes.’
Een medewerkster vraagt even vriendelijk als geschrokken of hij die rare muts van zijn hoofd wil doen.
Maar dat doet Pim niet.
Hij roept nog een keer: ‘Klokjes.’
De medewerkster doet dan wat van haar wordt verwacht.
Ze stopt dertien horloges in een tasje en geeft die aan de overvaller.
Pim tegen de rechters: ‘Ik had wel in de gaten dat het niet de duurste klokjes waren.’

Met de buit wandelt hij de juwelierszaak uit, naar buiten.
Kort daarop wordt hij, nog in de Herestraat, aangehouden.
Tegen de rechters: ‘Ik dacht echt dat ik met een goede zaak bezig was. Maar toen ik werd aangehouden dacht ik, dit gaat de verkeerde kant op.’

Pim wordt opgesloten in een politiecel waar wordt vastgesteld dat hij in de war is.
Zo belandt hij op paviljoen E van een psychiatrische kliniek.

De officier van justitie zegt dat een bivakmuts over het hoofd in een juwelierszaak heel bedreigend is: ‘Ook al wordt er niets gezegd, ook al is er geen wapen.’
Volgens de officier van justitie wist de verdachte dat wat hij deed, niet goed was.
Zegt: ’Maar het belang dat hij zag – het opsturen van medicijnen – vond hij belangrijker.’
De officier van justitie vindt daarom dat Pim zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld, dat die bewezen kan worden.

De volgende vraag die officieren van justitie dan moeten stellen: is de verdachte ook een strafbare dader?
Die vraagt beantwoordt hij op advies van de psycholoog en de psychiater met ‘nee’.
De eis: een ovar.
Een ontslag van alle rechtsvervolging.
Dan heb je het wel gedaan, maar krijg je geen straf.

De rechters hebben twee weken over Pim nagedacht en zijn tot een andere zienswijze gekomen dan het Openbaar Ministerie.
De rechters vinden dat het dragen van een bivakmuts onvoldoende is om te kunnen spreken van bedreiging.
Het is misschien niet zo gepast, zo’n muts op koopavond in een juwelierszaak, maar meer kan het niet zijn.
En van diefstal is ook geen sprake, vinden de rechters.
De medewerkster stopte de klokjes in een tas en gaf die aan de overvaller.
Stelen – enig goed wegnemen – gaat anders.

Pim wordt vrijgesproken.
Voor hem maakt het niks uit.
De behandeling in de kliniek wordt voortgezet.

Rob Zijlstra

Het openbaar toilet

De politie heeft ter plaatse vastgesteld dat de buil er was
foto 1

Toiletgebouwtje Hoge der A

Het is 13 september 2013, rond drie uur in de nacht.
Tjeerd is op stap geweest, is op weg naar huis en moet plassen.
Dat doet hij – heel keurig – in het openbare toilet op de kade van het Hoge der A., randje binnenstad Groningen.

Terwijl Tjeerd zijn ding staat te doen, komt ineens een grote man de krappe en donkere ruimte binnen met een fles drank in de hand.
Rode port.
Tjeerd schrikt.
Een seconde later voelt hij een harde klap op het achterhoofd, en nog een.
Hij geeft zijn belager een duw.
De halflege fles raakt zijn bovenarm.

Buiten het toiletgebouwtje gebouwtje roept de belager: ‘Geef me je geld’.
Dan maakt de overvaller zich – zonder buit – uit de voeten.
Er passeert een fietser.
De gewaarschuwde politie komt ter plaatste en weet de belager korte tijd later aan te houden.
De man wordt meegenomen naar het politiebureau.
Het slachtoffer doet aangifte.

Het Openbaar Ministerie vindt dat er sprake is van een diefstal dan wel afpersing met geweld aan de openbare weg.
Het slachtoffer in het toiletgebouwtje werd geslagen en tegelijkertijd werd er om geld gevraagd.
Zou het slachtoffer een winkel zijn, dan heette het een overval.

De officier van justitie ziet voldoende bewijzen.
Ze heeft er drie.
De eerste is de aangifte van het slachtoffer.
Die aangifte wordt ondersteund door de buil op het hoofd van het slachtoffer.
De politie heeft ter plaatse vastgesteld dat de buil er was.
Het derde bewijs is de verklaring van de getuige die hoorde roepen: ‘Geef me je geld.’
De man die dat riep was dezelfde man die later door de politie werd aangehouden, zo laat de getuige optekenen.

De officier van justitie heeft welgeteld 35 seconden nodig voor haar requisitoir die ze afrond met een strafeis: een werkstraf van 200 uur.

De verdachte is een 29-jarige man uit Delfzijl.
Soms gaat hij naar Groningen, zo ook op die 13e september vorig jaar.
Hij had een fles drank, rode port, gekocht die hij langzaam burgemeester maakte, op een bankje in het park.
Hij heeft een vaste en goede baan op het water.

Hij vertelt aan de rechters dat hij niet dronken was, wel een beetje aangeschoten.
Hij had in het Noorderplantsoen gezeten en was richting de stad gelopen om te kijken of er nog wat te beleven viel.
Rond drie uur moet hij plassen.
Op het Hoge der A is een toiletgebouwtje op de kade.
Hij gaat naar binnen, de fles port in zijn hand.
Ineens een schrik.
Er is daar een man die ook schrikt.
Die man slaat wild om zich heen en wel zo dat de fles port tegen zijn tanden aankomt.
En tegen zijn bril.

De verdachte: ‘Daarom werd ik boos. Ik heb hem toen twee keer geslagen of zo. Het was een reactie. Omdat hij mijn bril raakte, riep ik: ‘Dit gaat je geld kosten’.
De verdachte ontkent dat hij riep: ‘Geef me je geld’.
Zegt: ‘Waarom zou ik dat doen? Ik heb geld zat.’
De verdachte denkt dat het zogenaamde slachtoffer en die getuige kennissen van elkaar zijn.
‘Zo kwam het wel op mij over.’

De rechtbank bepaalt over twee weken wat de waarheid moet zijn.

Rob Zijlstra

Bonte stoet

Voor wie wel is, is het heel lastig om nergens te zijn

Het was een week waarin een bonte stoet aan verdachten door zittingszaal 14 trok.
Er zat een allerergste verdachte tussen, dan ook een minst erge, de wekelijkse verdachte met heel veel spijt was er natuurlijk, er was een verdachte die niet was gekomen, en eentje die op zoek is naar contact met zichzelf.

De spijtverdachte van de week moet Tim (25) heten.
Hij had overigens vooral spijt van zichzelf.
Bij het winkelcentrum in Winschoten had hij op een muurtje van de parkeerplaats gezeten en daar zag hij hoe een mevrouw met boodschappentas haar autootje op de invalidenparkeerplaats opende.
Tim sprong van het muurtje, begroette de mevrouw en vroeg beleefd of hij een stukje mocht meerijden.
Tot aan de bushalte.

Dat mocht, hoewel de mevrouw een andere kant op moest.
Eenmaal in de auto werd Tim onvriendelijk.
Hij liet zijn mes zien, dreigde daar zwaaiend mee en eiste geld.
De aardige mevrouw had net geld gepind en mogelijk had Tim dat gezien.
Hij griste de tas met daarin de 250 gepinde euro’s weg en sprong uit de auto.

De aardige mevrouw die hem de lift had aangeboden was 81 jaar.
Ze belde toen haar belager zich uit de voeten maakte, doodsbenauwd de politie, maar op het verkeerde adres.
Een agent had tegen haar gezegd: ‘U bent overvallen? Dan moet u 112 bellen.’
Echt.
De officier van justitie zei het in de rechtszaal, iedereen kon dat horen.

De rechters vragen aan Tim: ‘Was mevrouw een willekeurig slachtoffer?’
Tim is eerlijk: ‘Nee. Als je snel geld wilt maken pak je natuurlijk geen afgetrainde sportschooljongen.’
Ja. Hij heeft veel spijt.
Logisch.
Hij wil ook graag hulp, op voorwaarde dat de diepere problematiek waarmee hij kampt – een diepe gokverslaving – nu eens wordt aangepakt.
De officier van justitie vindt dat een goed idee, maar wil eerst even afrekenen: 30 maanden celstraf.

Het bijzondere van dit proces is dat deze lelijke misdaad werd gepleegd in maart van dit jaar.
Dat de rechters daar nu al over moeten oordelen, is opmerkelijk.
De meeste misdaden die in Groningen aan de meervoudige strafkamer van de rechtbank worden voorgelegd zijn een tot twee jaar oud.
Wie in de tweede helft van dit jaar een misdaad begaat, heeft grote kans pas ergens in 2016 terecht te moeten staan.

‘Pleeg nu, betaal later’.
Daar kwam ook de verdachte achter die nadat hij vier dagen in een politiecel had gezeten, op zoek ging naar zichzelf.
Lang verhaal in het kort: zijn computer was stuk en de reparateur ontdekte in juli 2012 op de harde schijf kinderporno.
Nader onderzoek leerde ook dat hij in 2010 ontucht had gepleegd met zijn lievelingsneefje van 12.
Zelf was hij toen net 19.
Inmiddels is hij 23 jaar en niet meer zo onzeker want hij is volledig uit de kast gekomen.
Nog altijd volgt hij twee keer per week therapie.
Hij heeft zichzelf redelijk goed gevonden, maar is nu bezig om contact met zijn emoties te leggen.
Zijn behandelaars verwachten dat er nog een lange weg moet worden afgelegd.
De officier van justitie wil de pret niet bederven.
Een taakstraf van 180 uur kan volstaan (eis).

Er was een verdachte die niet kwam opdagen.
Hij heet Lamor, 33 jaar, geboren in Gendershe, Somalië.
Hij heeft geen bekende woon- of verblijfplaats, maar wel een postadres: het politiebureau aan de Koggelaan in Zwolle.
Lamor heeft een keer iets gedaan wat niet mag en dat heeft grote consequenties gekregen: hij is tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Dan ben je op papier nergens meer en ook niet welkom.
Maar omdat je nog wel een ademend mens bent en ook nog eens van vlees en bloed die zich kan voortbewegen (dus niet dood) is het heel erg lastig om nergens te zijn.
Op 13 juli 2012 ging het mis in Groningen.
Hij was en viel in de armen van de politie; agenten stelden zijn ongewenstheid vast en sloten hem op.
Zoiets mag maar even duren en na even mocht Lamor zich dus weer ademend voortbewegen.
Lang mocht dat evenwel niet duren: op 27 september 2012 liep hij die niet mag zijn, maar wel is opnieuw tegen de lamp.

Afgelopen donderdag (2014) moest hij zich in zittingszaal 14 verantwoorden voor zijn illegaal verblijf in Nederland op twee verschillende dagen.
De officier van justitie: ‘Meneer die er niet is, is een strafbare dader. Ik eis zes maanden gevangenisstraf.’

In de bonte stoet van deze week liep een verdachte dominee uit Appingedam mee (ontucht en verkrachting), een wodka-drinkende asielzoeker die stomdronken ruzie kreeg over het geloof met zijn ongewenste kamer- en landgenoot (poging tot moord), de ervaren veelpleger die geld had gestolen van zijn hulpverleners liep halverwege, vlak achter hem een politieman uit Veendam die werd verdacht van mishandeling.
Hij zou – anderhalf jaar geleden – iemand opzettelijk hebben geslagen met de vuist en met in die vuist een Maglite.
Achteraan in de stoet, niet zichtbaar, de spoorloze verdachte die – net andersom – een agent zou hebben mishandeld.
En tot slot, helemaal vooraan, hoste Berend die op 1 januari 2012 met een dronken kop de toegang van de Lidl in Uithuizen had opgeblazen met een vuurwerkbom.

Dan was er de allerergste verdachte, een verdachte als nachtmerrie.
In mei 2011 trok hij in Stadskanaal een spelend meisje van straat, een meisje van 6 jaar.
Hij dwong haar in zijn auto vol rotzooi te stappen.
Hij reed met haar weg, bedreigde haar, misbruikte haar in het bos en zette haar daarna uit de auto.

In oktober 2013 deed hij dat nog een keer, In Delfzijl.
Ditmaal was het slachtoffer een meisje van 4 jaar.
Hij verkrachtte haar in zijn vieze auto en dumpte het kind een uur later in Appingedam op straat.
Een man die de hond uitliet zag het huilende meisje dwalend lopen, hij ontfermde zich over haar en wist haar adres te achterhalen.
Lange tijd werd er daarna in de kinderrijke buurt in Delfzijl niet meer op straat gespeeld, en was er onrust op de scholen.
De angst regeerde.

De officier van justitie noemt de nachtmerrie een perverseling en eiste 10 jaar gevangenisstraf.
De allerergste verdachte had gerekend op 8 jaar gevangenisstraf.
Voor hem op tafel ligt een briefje.
Steeds nadat de rechters hem een vraag hebben gesteld, tuurt hij naar het papiertje en leest de woorden voor die erop staan: ‘Ik beroep mij op mijn zwijgrecht’.

Aan de meeste verdachten raak je gewend, maar de allerergste verdachte, die went nooit.

Rob Zijlstra

UPDATE – 7 juli 2014 – uitspraak
Tim – de spijtverdachte – is veroordeeld tot dertig maanden celstraf waarvan tien maanden voorwaardelijk zijn. Aan de aardige mevrouw moet hij een schadevergoeding betalen van 790 euro.

 

TBS: minder krampachtigheid graag

o p i n i e

 

Schermafbeelding 2014-06-27 om 00.38.01De criminaliteit neemt al jaren gestaag af en een goed functionerend TBS-systeem levert een wezenlijke bijdrage aan veiligheid.
Een overeenkomst tussen de daling van de misdaad en een functionerend TBS-systeem is dat maar weinig mensen het willen geloven.
Liever zien we (kennelijk) meer misdaad en als het even kan, moeten die lelijke daden worden gepleegd door TBS’ers op verlof.
Dat past beter omdat ons beeld soms wat scheef staat.

De gezamenlijke TBS-klinieken hebben nu het voornemen gelanceerd om de duur van de TBS-behandeling te verkorten door soepeler om te gaan met het verlenen van verloven.
Daar worden vast mensen heel onrustig van.
Maar het is een goede zaak.

Op grond van oneigenlijke argumenten – niet in de laatste plaats gevoed door een paar trieste incidenten met TBS’ers op verlof – is de forensische psychiatrie (wat TBS is) in het verdomhoekje terechtgekomen.
Het imago is beroerd en niet alleen aan de borreltafel.
Ook onder officieren van justitie en strafrechters is de maatregel niet heel populair.
In Groningen wordt de dwangverpleging drie tot vier keer per jaar opgelegd.
Dat is wel eens anders geweest.

Maar ook de TBS-sector zelf was in een kramp geschoten.
Harry Beintema, directeur behandelzaken van de Van Mesdagkliniek in Groningen, beaamt dat.
Hij zegt: ‘Niemand wilde meer de laatste beoordelaar zijn als het ging om het verlenen van verlof. De angst dat het toch mis zou gaan was te groot. De druk vanuit de samenleving werd gevoeld. Hierdoor bleven TBS’ers onnodig lang binnen.’

Het gevolg: in tien jaar tijd steeg de gemiddelde behandelduur van een TBS’er van vijf tot zes jaar naar tien tot elf jaar.
Beintema: ‘En de politiek vond dat niet erg. Als er maar niets gebeurde.’

Binnen de TBS-sector is er de overtuiging dat door soepeler om te gaan met het verlenen van verloven, de behandelduur uiteindelijk korter wordt.
Een gemiddelde duur van acht jaar is nu het streven.
Dat moet het vertrouwen in het systeem doen toenemen.
En iets minder peperduur maken.

Maar niet alleen daarom.
Minder TBS betekent in de praktijk dat meer mensen met ernstige psychische stoornissen – en die mensen bestaan echt – in de gevangenis belanden en vervolgens zonder behandeling op vrije voeten komen.
Zo iemand wil je ’s avonds liever niet tegenkomen.

Het voornemen is dat iemand die de TBS-maatregel krijgt opgelegd, binnen twee jaar na de opname onder begeleiding op verlof mag.
Binnen vier jaar kan een onbegeleid verlof worden toegekend.
Binnen zes jaar zou de TBS’er onder begeleiding, maar buiten de kliniek moeten gaan wonen, binnen acht jaar volgt dan het ‘echte’ proefverlof.
TBS’ers die te boek staan als ‘te gevaarlijk’ krijgen niks.
Dat was al zo en dat moet ook zo blijven.

De TBS-klinieken hebben het gelijk aan hun kant, maar het blijft een lastige boodschap.
Het is ook daarom te hopen dat andere partijen – de politiek voorop – in navolging van de sector zelf het lef hebben minder krampachtig te zijn.
De borreltafel volgt daarna wel.

Rob Zijlstra

dit artikel stond donderdag 26 juni ook in Dagblad van het Noorden en op vrijdag 27 juni in de Leeuwarder Courant

.

nieuwsbericht tbs

dagblad van het noorden, woensdag