Strafrechter Edzard van Weringh laat regelmatig aan verdachten weten dat hij op de hoogte is van de situatie ter plekke.
Opdat verdachten hem geen kletskoek verkopen.
Hij zegt dan: ‘Ik heb natuurlijk even op Google gekeken, op Street View…’
Op een dag reed een Googleman door het ‘t Zandt, door een gewone straat waar er duizenden van bestaan.
Met gewone huizen met voortuintjes, met gras of grind en hekjes voor de sier.
Hier en daar zijn de gordijnen dicht en staan de grijze containers met huisvuil nog op de stoep te wachten.
Halverwege de straat woont Johan (57) met familie en aanverwanten in drie van vier aan elkaar vast gebouwde rijtjeshuizen.
Voor de deuren staan twee auto’s uit, zeg maar, de iets duurdere prijsklasse dan in de straat gewoon is, op trailers liggen twee speedboten en in de tuin, links, wappert fier een piratenvlag.
Misschien dat de man van Google wel dacht toen hij door de straat reed: ‘Jemig, wa’s dit?’
Op 14 december vorig jaar denderde een arrestatieteam van de politie door deze straat om Johannes – de zoon van Johan – te arresteren.
Zoon werd verdacht van brandstichtingen en woninginbraken, die hij zo luidde de redelijke verdenking, samen met Johnny B. zou hebben gepleegd.
Inmiddels is dat wettig en overtuigend bewezen.
Zoon Johannes woonde in een van de vier woningen.
De leden van het arrestatieteam waren die ochtend op alles voorbereid vanwege de mogelijke aanwezigheid van wapens.
Het was niet de bedoeling dat er moest worden geschoten.
Tijdens de arrestatie wordt in de woning van zoon Johannes een hennepkwekerij aangetroffen.
De actie leidde tot een hoop gedoe, want zoiets trekt natuurlijk, ook in ‘t Zandt, bekijks.
Een van de vier woningen, rechts, gaat deels verscholen achter een heg.
Tijdens de politieactie zou vader Johan zich achter die heg hebben verscholen.
Dat vond de politie zo bedenkelijk dat ook de vader als verdachte werd aangemerkt.
Strafrechter Edzard van Weringh: ‘Ik heb even op Street View gekeken en heb die heg wel gezien.’
Johan zegt dat hij zich helemaal niet verstopte.
Hij stond gewoon op het paadje bij de voordeur.
En daarna ging hij samen met zijn partner koffie ging drinken bij zijn ex die daar ook woont.
Vanwege alle commotie.
De politie zag het anders.
De politie noteerde dat Johan plots was verdwenen, sneaky via de achterdeur en toen uit zicht.
Dat was nog veel bedenkelijker.
Johan tegen de rechters: ‘De politie liegt.’
De ex wordt als getuige gehoord.
Ze zegt: ‘Ze kwamen bij mij koffiedrinken. Via de voordeur gekomen en na twintig minuten zijn ze via de voordeur ook weer weggegaan.’
Johan: ‘Zo is het.’
Rechters: ‘Sneaky via de achterdeur?’
Johan die is gekluisterd aan een rolstoel: ‘Dat lukt mij niet eens. Er ligt daar achter een gigantische puinzooi. Daar kan ik niet eens langs.’
De officier van justitie stelt vast dat de twee lezingen niet tegelijk waar kunnen zijn.
Dat dus of de politie liegt of Johan en zijn partner en de ex.
Haar voorstel: nader onderzoek door middel van een schouw.
Rechters moeten er ter plaatste gaan kijken, niet digitaal.
De rechters tegen de officier van justitie: ‘Dus u sluit niet uit dat de politie liegt?’
De officier van justitie: ‘Een nader onderzoek kan alle twijfel wegnemen.’
De rechters willen er na beraad niet aan, ze zien de toegevoegde waarde niet.
Dit was een lange inleiding om te komen tot de kernvraag in deze kwestie: is wat de politie zag bij de heg, voldoende bedenkelijk om aangemerkt te kunnen worden als verdacht?
Anders gezegd en juridisch van ‘t grootste belang: was er ten aanzien van de vader ‘een redelijk vermoeden van schuld’ op grond waarvan de politie zijn woning mocht doorzoeken?
Nog anders: mocht de politie de hennepkwekerij, ruim een kilo cocaïne, 27.000 gram verboden vuurwerk en een arsenaal aan wapens in de woning wel vinden?
De rechters: ‘Dat is dus de vraag.’
De officier van justitie zegt van wel.
Ze eist drie jaar en zes maanden celstraf.
De partner van Johan, zij wist er heus ook van, hoort twee jaar cel eisen.
Strafrechtadvocaat Cees Eenhoorn zegt van niet.
Vader Johan was die ochtend geen verdachte, hij gedroeg zich niks niet verdacht.
Ofwel: het wettige vereiste, een redelijk vermoeden van schuld, was er niet.
De inval in de woning is daarmee buiten de boekjes, het bewijs onrechtmatig verkregen. Consequentie: Johan en zijn partner moeten vrijgesproken.
Nu kun je zeggen, ook vanwege het begin van dit verhaal: ja, ja.
En die boten dan?
Die auto’s?
Drugs en wapens?
Die zijn toch gevonden in dat huis?
Nou dan.
Hier dient zich het wezenlijke van het strafrecht aan.
In de rechtszaal gaat het in eerste instantie niet om schuld of geen schuld, maar of het wettige en overtuigende bewijs daarvoor geleverd kan worden.
De overtuiging dat de contrabande bij Johan en zijn partner in huis lag, is er wel.
‘t Was er immers.
Maar is het bewijs daarvoor ook wettig, dus volgens de regels waar de politie zich aan moet houden, verkregen?
Wie dit mierenneuken vindt (wat mag) is het er vast niet mee eens dat iedereen op een fiets mag worden gearresteerd, want in potentie een fietsendief.
Of iemand oppakken omdat ‘ie met een volle tas de winkel verlaat.
Alle vrouwen met een iets duurdere auto voor de deur.
Mannen in witte overhemden.
Grieken.
Of willekeurig welke mensen ook die in het verleden al eens zijn aangehouden.
Het is de vraag waar de rechters zonder twijfel – en zonder Google – het antwoord op moeten zien te vinden.
Rob Zijlstra
uitspraak op 25 mei






