Het is inderdaad niet waar…

Reactie van strafrechter E.W. van Weringh op mijn blog ‘Het is niet waar…’

Aan het einde van een lange zittingsdag heb ik als voorzitter van de op die dag zittende rechtbank aan de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman laten weten dat de rechtbank normaal gesproken over 14 dagen uitspraak zou doen. Ik heb uitgelegd dat in een meervoudige kamer elke rechter goed zijn bijdrage moet kunnen leveren aan de totstandkoming van het vonnis. Dat is een onderdeel van eerlijke en zorgvuldige rechtspraak. Vervolgens heb ik gezegd dat de bezetting van de rechtbank (dat zijn de drie rechters die de zaak behandelen) de komende weken zo zou zijn dat dit onder druk zou komen te staan als we over 14 dagen uitspraak zouden doen. Dat is, zeker in een zaak als de Hoendiep-zaak, onwenselijk. Daarom heb ik het voornemen van de rechtbank om een pro forma sluitingszitting in te lassen aan de officier en de advocaat voorgelegd. Ik heb in het kader van hoor en wederhoor hun standpunt gevraagd. Er werd letterlijk gezegd dat het wijs was het zo te doen.

Het gewraakte stukje in het DvhN gaat over een andere strafzaak. Zijlstra sluit dat artikeltje af met zijn mening dat het organisatorisch allesbehalve vlekkeloos verloopt bij de Groninger rechtbank. Als kennelijk voorbeeld daarvan noemt hij dan de gang van zaken rond de uitspraakdatum in de Hoendiep-zaak.

Gisteren heb ik mij als voorzitter van de strafkamer die de Hoendiep-zaak heeft gedaan nadrukkelijk gedistantieerd van de onterechte suggestie dat vanwege organisatorische problemen niet binnen de wettelijke termijn uitspraak kon worden gedaan. De rechtbank als organisatie is iets anders dan de rechtbank die een concrete zaak behandelt. Een rechtbankjournalist weet dat best. Over die laatste rechtbank had ik het op 24 maart jl.

Wij zijn als rechters verantwoordelijk voor een zorgvuldig en eerlijk proces. Onze bezetting, ik wees daarbij naar ons drieën, zou zo zijn dat wij onvoldoende alledrie onze bijdrage konden leveren binnen 14 dagen.

Ik herhaal: dat heeft niets te maken met organisatorische problemen op de rechtbank, maar alles met de plicht om als rechters te waken voor een zorgvuldig en eerlijk proces.

E.W. van Weringh,
voorzitter strafkamer

 

Het is niet waar…

zorgvuldige problematiek

Drie weken geleden, 24 maart, aan het einde van een lange rechtszaak.
De voorzitter (rechter) zegt dat hij de zitting niet gaat sluiten.
Hij zegt: ‘Vanwege de bezettingsproblematiek bij de rechtbank kunnen we niet binnen twee weken uitspraak doen.’

‘Binnen twee weken’ moet wel van de wet.
Maar er is een rechterlijk handigheidje om daar onderuit te komen.
De strafzaak wordt aan het einde niet gesloten maar aangehouden.
Er wordt dan een datum genoemd (3 april in dit geval) waarop de zaak wordt voortgezet.
Die voortzetting bestaat dan uitsluitend uit de sluiting.
En dan kan vanaf dat moment over twee weken uitspraak worden gedaan.
Deze truc levert een week extra op.

In grote (omvangrijke) strafzaken gebeurt dit vaker.
Ook in Groningen.
Nieuw was dat de rechter er de bezettingsproblematiek bij haalde.
Overigens is die problematiek niet nieuw: rechters reppen en roepen al lange tijd over hun hoge werkdruk.

Vandaag werd in die lange strafzaak uitspraak gedaan.
De rechter (voorzitter) opende de zitting en las vervolgens – een samenvatting van – het vonnis voor.
Maar voordat de rechter begon te lezen moest hij nog even iets kwijt.
In Dagblad van het Noorden had gestaan, zei hij, dat er capaciteitsproblemen bij de rechtbank zijn waardoor er niet binnen twee weken uitspraak kon worden gedaan. Dat is volstrekt onjuist, dat had fout in de krant gestaan. De reden voor de extra tijd was uitsluitend omwille van de zorgvuldigheid. Niet vanwege problemen, hoewel rechters natuurlijk af en toe ook verlof moeten opnemen. Dat zei de rechter. En ook: ‘Dit wilde ik even gezegd hebben.’

Daarna veroordeelde hij de verdachte tot 25 jaar gevangenisstraf.

Ik voelde mij aangesproken gezien ik van Dagblad van het Noorden ben.
Ik moet dus begrijpen dat het probleem van de bezetting in drie weken tijd is overgegaan in de schoonheid van zorgvuldigheid.
Nou, dat is mooi en hartstikke positief.

Waarom de voorzitter er de bezettingsproblematiek bijsleepte, weet ik ook niet.
Ik heb de rechtbank gevraagd of ze vinden dat het niet klopt?
Dat het niet waar is dat die zin is uitgesproken.
Dat ik die zelf heb verzonnen en vervolgens voor waar heb gepubliceerd?

Maar de rechter was al naar huis, communiceerde de communicatie.

Ik herhaal het dan nog maar een keer.
Op 24 maart, aan het einde van een lange rechtszaak, zei de voorzitter dat hij de zaak niet gaat sluiten, maar gaat aanhouden. Hij zei: ‘Vanwege de bezettingsproblematiek bij de rechtbank kunnen we niet binnen twee weken uitspraak doen.’

U moet die laatste zin dus anders begrijpen.
Ik dacht, omwille van de zorgvuldigheid, meld ik dit even.

rob zijlstra

 

de reactie van de betreffende rechter

 

propl

dvhn – 1 april 2014 – laatste alinea

 

tweet

tweet, paar seconden na ‘gewraakte’ uitspraak

Biertje

OLYMPUS DIGITAL CAMERAHet zal best zo wezen dat anderen hebben verklaard dat hij er ook bij was.
Lammert kan het zich niet herinneren.
Nog niet met de beste wil.
Maar een ding weet hij zeker, honderd procent: ‘Ik heb het niet gedaan.’

Natuurlijk vroegen de rechters hoe dat dan kan?
Dus dat je niet meer weet wat er is gebeurd, maar dat je wel zeker weet dat je het niet hebt gedaan.
Lammert haalt de schouders nog maar een keer onverschillig op: ‘Ik weet niets meer.’
Dat lijkt hem het meest logisch.

De rechters zeggen: ‘U zou de man zijn geweest die met de loden pijp heeft geslagen. Anderen verklaren daar over.’
Lammert reageert geschokt: ‘Ik? Stel je voor. Ik een vechtersbaas. Nee. Ik ben geen agressief persoon.’
Hij denkt nog eens diep na.
Zegt dan: ‘Als ik iemand in elkaar sla, dan moet ik dat toch merken?’

Lammert is jarig op de dag dat hij moet terechtstaan.
Hij is 41 geworden.
De rechters vragen wel wanneer, op welke datum hij is geboren, maar dat leidt niet tot felicitaties.
Lammert lijkt dat niet te deren, hij is wel wat gewend.
Toen hij acht was, stond hij er al alleen voor, op eigen beentjes.
Zegt: ‘Ik moest toen al mijn eigen aardappeltjes koken.’

De officier van justitie zegt dat Lammert zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf.
Dat het ook juridisch gezien niet te danken is geweest aan Lammert dat het slachtoffer nog leeft.
Want dat is meer een kwestie van geluk geweest.
Het slachtoffer is ook nog altijd niet hersteld van de opgelopen kwetsuren, ook al zijn in tijd acht maanden verstreken.
Het praten gaat nog moeilijk, hij weet wat hij wil zeggen, maar het komt er dan niet uit.
Via de logopedie moet dat weer beter worden.
Het zicht is ook nog altijd wazig en zijn er zwarte vlekken en immer tintelende handen, zo citeren de rechters uit de papieren die voor hen op tafel liggen.

Lammert toont zich niet onder de indruk.
Hij vraagt aan de rechters: ‘En staat er ook bij dat-ie ons bedreigt? Nee? Hij zoekt ons op, een voor een. Hij wil wraak nemen.’
Dat had hij dan toch maar even mooi gezegd.

Met ‘ons’ bedoelt Lammert de andere vijf mannen met wie hij deze misdaad zou hebben gepleegd.
Die andere mannen zijn eind vorig jaar al veroordeeld, Germ zelfs tot drie jaar gevangenisstraf wat ze met z’n allen wel heel erg veel hadden gevonden.
Hun slachtoffer – zeg maar dat hij Rinus heet – was niet zomaar een willekeurige passant.
Rinus had er een beetje zelf om gevraagd, want hij had eerst babbels gehad en toen een grote bek.
De zakenpartner van Rinus, Klaas, was daar helemaal flauw van geworden.
Ze hadden een meningsverschil over de verdeling van geld dat ze samen hadden verdiend met de teelt en verkoop van hennep.

Klaas had toen een besluit genomen.
Hij ‘whatsappte’ door zijn netwerk en verzamelde op die manier wat kracht om zich heen.
Rinus werd bij hem thuis ontboden, zogenaamd om de kwestie uit te praten.
Eenmaal binnen werd hij met alle aanwezige kracht in elkaar gebeukt.
Dat beuken duurde welgeteld tien minuten.
Iemand had een loden pijp.
Ze stopten omdat ze het wat zielig begonnen te vinden.
Rinus’ lichaam sleepten ze daarna het huis uit, vouwden het op en smeten hem in zijn auto.
Voor alle zekerheid werden de autoruiten aan diggelen geslagen.
Nu wisten ze zeker dat hij Klaas voor eens en altijd met rust zou laten.

Klaas betaalde zijn mannen 500 euro voor de getoonde kracht.
Een aantal van hen ging direct door naar het café om het verdiende loon om te zetten in wat te drinken.

Rinus slaagde erin thuis te komen, ging naar bed en was de volgende ochtend niet meer aanspreekbaar.
In allerijl werd hij naar het ziekenhuis gebracht.
De artsen constateerden hersenkneuzingen.

Lammert luistert met aandacht naar wat de rechters hem vertellen.
Af en toe schudt hij het hoofd, een teken dat hij het er niet mee eens is.
En hoe vaak moet hij het nog zeggen?
Hij zegt: ‘Ik heb geen aandeel in die vechtpartij, als ze dat verklaren dan hebben ze dat onderling afgesproken want, nogmaals, ik ben niet een agressief persoon.’

Rechters: ‘U was toen ook in dat café. En u had veel geld bij u. Er werden rondjes gegeven.’
Lammert: ‘Ik heb ja maar 40 euro in de week.’
De rechters zeggen dat ze dat nou juist bedoelen, dat hij ineens veel meer geld had.
Nog een schepje er bovenop: ‘Mensen die toen ik het café waren hebben verklaard dat u onder het bloed zat.’

Lammert blijft maar met zijn hoofd schudden.
En dat blijft hij ook doen als de officier van justitie het woord neemt.
De aanklager zegt dat Lammert schuldig is aan het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Dat er sprake is geweest van een lokale maffia-actie.
En dat allemaal voor een paar rotcenten.
De aanklager zegt dat Lammert geen enkele compassie toont en dat er sprake is van een lage motivatie om zijn leven op de rails te zetten.

Diepe zucht.
Goed, hij had de afgelopen vier jaar in ledigheid doorgebracht.
Altijd dronken.
De schatting: een krat bier per dag, de eerste fles bij het ontwaken.
Dat was begonnen toen zijn partner overleed.
Nu zitten er gaten in het hoofd.
Korsakov.
Zegt: ‘Ik heb vier jaar vergooid. Als ik maar in een roes leefde.’

Nadat hij was aangehouden en werd opgesloten kwamen de ontwenningsverschijnselen.
Die waren zo heftig dat hij moest worden opgenomen in het gevangenisziekenhuis in Scheveningen.
Hij zag in zijn wanen medewerkers als kabouters en dat was niet om te lachen geweest.

Hij zegt dat het nu, nu hij al acht maanden vastzit, een stuk beter met hem gaat.
Niet zonder trots: ‘En ik drink niet.’
Rechters: ‘Nee, nogal wiedes, want u zit vast.’
Lammert, grote lach: ‘Ik kan in de gevangenis elke dag wel drank krijgen. Als ik het wil, komen ze het zelf brengen. Ha ha. Het is binnen bijna nog gemakkelijker dan buiten.’

De rechters reageren er niet op.
Misschien willen ze niet eens weten waar ze dag in en dag uit mensen naar toesturen.
De rechters vragen hoe hij zijn toekomst ziet.
Lammert veert op, want hij kijkt sowieso liever naar de toekomst dan naar het verleden.
Enthousiast: ‘Ik wil werken. En dan ’s avonds moe op de bank. Met een lekker biertje erbij.’
De rechters springen op: ‘Met een biertje? Is dat gezien uw verleden nou wel zo verstandig?’
Maar Lammert is niet meer te houden met zoveel geluk in het verschiet: ‘Ja, en dan bij het eten een lekker glaasje wijn.’

De officier van justitie: ‘Ik eis 24 maanden gevangenisstraf.’

De rechters vragen of hij de eis heeft begrepen.
Voor Lammert is de lol eraf.
Hij zegt: ‘Tja, phoeh, 24 maanden… Ik snap het wel een beetje. Ik ben niet zo slim, maar ik vind 24 maanden wel aardig pittig.’

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 18 april 2014 – uitspraak
Lammert moet – zoals wel kon worden voorspeld – zitten, maar iets minder pittig: 15 maanden.

De verdachte bom

dekrantvantoen

dvhn, 8 oktober 2012

Dit verhaal begint ergens halverwege, dan ontstaat commotie en het zal eindigen met een vraag.

Mevrouw Elsink rijdt in haar blauwe Mercedes langs bedrijven.
Dat is haar werk.
Op maandag 8 oktober 2012 brengt ze een bezoek aan Bos Incasso dat in een groot kantoorpand is gehuisvest op het Europapark, vlakbij het stadion van FC Groningen.
Als ze na gedane zaken weer in haar auto wil stappen ziet ze wat ze al eerder die dag meende te zien: een kastje met een knipperlichtje onder de auto, op de plek waar zij boven zit.

Mevrouw Elsink denkt niet direct aan een bom maar ze krijgt wel de zenuwen.
En dus belt ze de wegenwacht, daar is ze per slot van rekening niet voor niets al jaren lid van.
Wegenwachter Wim komt, gaat door de knieën, kijkt eens goed en zegt dan dat we de politie moeten bellen.
De politie stuurt een bomverkenner die het niet vertrouwt en alarm slaat.

Op het hoofdbureau van politie trekken ze een protocol uit de kast, lezen wat te doen en dan is het bal.

Alarmfase 1.

Het crisiscentrum gaat open.
De minister wordt gewaarschuwd zo ook de commissaris van de koningin.
In Den Helder maakt het Explosieven Opruimings Commando (EOC) zich klaar om af te reizen naar Groningen.
Kantoren worden ontruimd, dat wil zeggen dat ruim 300 medewerkers niet in paniek mogen raken, maar dat zij hun werkplekken rustig moeten verlaten en naar buiten moeten gaan.
Net zoals ze bij de jaarlijkse oefening doen.
De bedrijfshulpverleners doen hun gele hesjes aan.
Werknemers van kantoren die iets verder zijn gelegen worden verzocht bij de ramen weg te blijven.

Er wordt een dreigingsanalyse gemaakt.
Wie bijvoorbeeld is mevrouw Elsink?

Het verkeer op de A7 wordt stilgelegd.
De EOC arriveert en een robot van dit commando wordt richting de blauwe Mercedes gedirigeerd door een specialist in een maanpak.
Er worden ook bomhonden ingezet.
De robot maakt foto’s van het kastje onder de auto.
Die foto’s worden naar specialisten gestuurd.

Na ruim vier uur wordt een conclusie getrokken: ’t is geen bom.
De commotie is niet lang daarna ten einde en honderden mensen hervatten hun werk of gaan naar huis om daar een spannend verhaal te vertellen.

In de krant van de volgende dag staat: ‘Europapark in de ban van verdacht pakketje’

Die avond zit Henk in de binnenstad van Groningen in een shoarmazaak te wachten op zijn eten.
Er ligt een krant op tafel.
Henk leest over de commotie op het Europapark en denkt: ‘krijg het nou.’

Geschrokken belt hij zijn vrouw en vertelt wat hij zojuist heeft gelezen.
Ze besluiten dat hij zich bij de politie zal melden.
Om het uit te leggen.

Deze week zat Henk in de verdachtenbank van zittingszaal 14.
De officier van justitie zegt dat Henk zich misschien wel schuldig heeft gemaakt aan artikel 139c Wetboek van strafrecht.
Misschien, zeker weten doet de officier van justitie dat niet.
Daarom wordt de kwestie ook voorgelegd aan de rechters.
Omdat het Openbaar Ministerie wel eens wil weten hoe rechters er tegenaan kijken.
Henk zit ongewild in een proefproces.

Zijn advocaat had vooraf gezegd dat het een strafzaak van niks is, niks interessant voor de pers.
Zoiets moet een advocaat nooit zeggen.

Henk is directeur van een groot bedrijf en is als de doods dat zijn zaken via de media in verband worden gebracht met wat er door zijn toedoen is gebeurd.
Aan mevrouw Elsink heeft hij inmiddels zijn excuus aangeboden.

Henk vertelt. Zijn paard was gestolen. Daarom had hij een camera opgehangen. Niet lang daarna werd zijn boot op een trailer uit de schuur gestolen. Op camerabeelden was een auto met trekhaak te zien, een blauwe Mercedes. Hij had wat lijntjes uitgegooid en wat rondgevraagd in het café. Daar hadden ze weten te vertellen dat het de auto was van mevrouw Elsink die een zoon heeft die niet wil deugen. Henk achterhaalde het adres, het was niet ver bij hem vandaan. Op een avond plakte hij met magneten een kastje onder de blauwe Mercedes.

Het is een track & trace-kastje, met gps.
Met wat software op de computer kan hij de auto volgen, kan hij zien waar de auto heengaat.
Die kastjes kun je gewoon kant en klaar kopen, in de spyshop.

Zo hoopte Henk te achterhalen waar zijn boot is.

Maar de volgende ochtend stapt niet de deugniet in de auto, maar mevrouw Elsink.
Ze moet een paar bedrijven bezoeken, onder meer Bos Incasso op het Europapark in Groningen.
Henk zegt tegen de rechters: ‘Ik had nooit verwacht dat dit zo’n commotie teweeg zou brengen. Achteraf bezien was het ook een behoorlijk slecht idee.’

Voor juristen gaat het verhaal nog even door.
De officier van justitie wil weten of verdachte Henk een inbreuk heeft gemaakt op de privacy van mevrouw Elsink.
Dan wel: mag een particulier zomaar een peilbaken onder een auto van een andere particulier plakken?
De overheid, de politie doet dat wel, maar dan is daar toestemming voor nodig van een rechter-commissaris en gelden strenge regels.

Voor de proef zegt de officier van justitie dat wat Henk heeft gedaan zeer kwalijk is.
En dat er daarom ook straf moet volgen.
Een werkstraf is gepast, maar omdat het al weer wat langer is geleden kan worden volstaan met een boete.
Henk had geantwoord dat hij als directeur het niet slecht heeft.
Dat het wel een beetje raar is dat hij geen aangifte heeft gedaan van de diefstal van die boot.
Maar goed.
De eis: 2.000 euro.

De advocaat van Henk heeft zich in de zaak vastgebeten.
Ze spreekt over technische materie en haalt de wetsgeschiedenis van artikel 139d van stal.
Ze zegt dat Henk in de zin van de wet niks strafbaars heeft gedaan.
Ook al omdat het track & trace-kastje onder de auto geen gegevens heeft opgevraagd.

Een van de rechters kijkt wat zorgelijk:  ‘Maar als het apparaatje niets vraagt, hoe weet de satelliet dan dat–ie niets moet sturen?’

Kortom, zo ontstond destijds dus die commotie op het Europapark.

Rob Zijlstra

.

UPDATE – 18 april 2014 – uitspraak
Henk is schuldig. Maar die 2000 euro mag hij houden. De rechters vinden 1000 euro en die dan geheel voorwaardelijk beter.  Het vonnis met daarin de juridische smakelijkheden wordt zo snel als mogelijk gepubliceerd, beloofde de rechtbank bij uitspraak.

HET VONNIS zodra gepubliceerd

.

In de tekst staat dat de rechter-commissaris toestemming moet geven voor het plaatsen van een peilbaken. De politie meldde zich afgelopen nacht met de mededeling dat een bevel van de officier van justitie voldoende is.

artikel 139d (dee) 

139d

 

 

 

Joop

 

 

was het maar niet zo gegaan

traanHendrik (49) heeft niet geslapen.

Hij lag in zijn cel in de gevangenis te piekeren over wat te zeggen als de rechters hem aan het einde van het proces het laatste woord zullen geven.
Dat hij er veel moeite mee heeft?
Of dat hij dit absoluut ook niet heeft gewild?

Eerst het verhaal, 4 augustus 2013.

Hij is naar de barbecue geweest in Gaarkeuken, hartstikke gezellig daar.
Na middernacht komt Hendrik terug in Grijpkerk.
Lopend richting huis, door de Herestraat, ziet hij dat er nog leven is in café Joek.
Het voornemen te gaan slapen, laat hij varen.
Tegen de rechters: ‘Ik woon alleen en ik had nog wel zin in wat gezelschap om mij heen.’

Aan de bar zit Joop (52), ooit automonteur, maar nu de eigenaar van het dorpscafé dat hij met ziel en zaligheid runt.
Het wordt een vrolijke voortzetting, zo ook vanzelf drie uur, sluitingstijd. En hoewel Joop de baas is, is de barkeeper onverbiddelijk: de tap is dicht.
Hendrik stelt voor om nog een afzakkertje bij hem thuis te drinken.
Omdat hij geen drank in huis heeft, neemt Joop een kratje Amstel mee uit de zaak.
De zus van Joop en zijn zwager gaan ook mee.

Was het maar niet zo gegaan.

Om twee minuten voor half zes die ochtend komt er via 112 bij de meldkamer een telefoontje binnen: ‘Met Hendrik. Ik heb net iemand doodgeschoten in mijn woning.’
Niet heel veel later wordt hij elders in het dorp aangehouden door een arrestatieteam.

In de woning van Hendrik treft de politie aan de keukentafel met daarop tal van lege flesjes bier een zwaargewonde man aan.
Het is Joop.
Anders dan Hendrik denk leeft hij nog, maar het ziet er niet best uit.
Hendrik zegt dat het een ongeluk was, dat het wapen ineens was afgegaan.
Zomaar, want het was nooit de bedoeling geweest.

Wat niet de bedoeling is, maar toch is gebeurd is in de rechtszaal niet per definitie een ongeluk.
Sterker nog, de officier van justitie vindt dat er sprake is van een poging tot moord.
Hendrik heeft willens en wetens op Joop geschoten, hij heeft het gepland en uitgevoerd.
Het wapen is onderzocht en vastgesteld is dat een spontaan schot als gevolg van een defect moet worden uitgesloten.
De officier van justitie: ‘De trekker is overgehaald.’

Hendrik had aan het hoofd van de keukentafel gezeten, Joop links en daar tegenover zus en zwager.
De zus: ‘Hendrik ging ineens staan, pakte iets uit zijn broekzak, richtte op Joop en schoot. Er was geen aanleiding voor, we waren leuk in gesprek. Hij ging daarna direct naar buiten, via de achterdeur. Hij zei niks.’
De zwager: ‘Joop begon over de kinderen van Hendrik. Dat irriteerde hem, hij ging er niet op in. Toen ging hij naar de wc. Hij kwam terug. Ineens een schot, ik dacht eerst een grapje of zo. Toen zag ik bloed. Hendrik ging weg, wij zijn toen in paniek geraakt.’

Hendrik werkte een aantal jaren als slager in het dorp.
Daarna stapte hij over naar de asbestsanering.
Dat ging een tijdje goed, maar toen de bank de kraan dichtdraaide kwam in 2005 het faillissement en kocht hij een revolver met een doosje kogels erbij die hij bewaarde in een kluis op de slaapkamer.
Als ondernemer zonder onderneming ging het niet beter.
Integendeel.
Soms liep de rekening in het café hoog op en was er geen geld om die te betalen.
Dan deed Hendrik klusjes voor Joop.
Schilderen en zo.
Er vielen ook wel eens wat woorden, bijvoorbeeld als Hendrik beloofde te komen, maar niet kwam in verband met hooikoorts.
Joop zei dan: wel drinken, maar niet werken, dat klopt niet.
Maar Joop was, zo werd tijdens de rechtszaak gezegd, een man van zand erover.
Dan gingen ze samen op vakantie.

De rechters willen weten hoe gezellig het nou echt was aan de keukentafel.
Hendrik vertelt dat hij bang was geworden en toen in paniek was geraakt.
Want zomaar ineens had Joop gezegd dat-ie de boel kort en klein ging slaan.
Hij zei: ik sla alle ruiten hier in en dan pak in jou ook.’
Rechters vragen: ‘Hoeveel had u gedronken?’
Hendrik: ‘Ik denk met de barbecue erbij een stuk of twintig flesjes bier.’
Rechters: ‘Dronken.’
Hendrik: ‘Tussendoor hebben we ook gegeten. Ik was teut.’

Er was een akkefietje geweest met de zoon van Hendrik.
Die zou een paar weken eerder een ruit hebben vernield bij café Joek.
Daar hadden ze het over gehad.
Na een tijdje zeiden ze ‘zand erover’.
Maar toen – zegt Hendrik – begon Joop er weer over.
‘Ik moest beter dit en beter dat. Ik zei, laten we er nou over ophouden. Maar Joop zei, ik pak die jongen, ik huur wel een paar mannetjes in. Ik zag de agressie in hem doorkomen. Ik raakte in paniek en ik voelde me bedreigd. Ik dacht maar een ding, die mensen moeten hier weg, weg uit mijn woning.’

Hendrik zei dat hij even naar de wc moest.
Hij stond op en liep weg.
Hij liep door naar de slaapkamer, opende de kluis en pakte het geladen vuurwapen, hij liep terug, trok de wc door en liep naar de stoel bij de keukentafel.
Hij zei, ik schiet als jullie niet weggegaan.
Joop: ‘Je schiet toch niet.’
Hendrik: ‘Ik zei van wel en toen ineens een knal, ik schrok me rot.’

Rechter: ‘Als u dan zo bang was, had u de woning ook kunnen verlaten.’
Andere rechter: ‘Als je een pistool pakt, is het dan niet zo dat je het risico neemt te gaan schieten, al dan niet per ongeluk?’
De officier van justitie zegt dat Hendrik die avond meermalen bewuste keuzes heeft gemaakt, dat er sprake is van planmatig werken waarbij er momenten zijn geweest om zich te beraden.
Daarom een poging tot moord.
De eis: een gevangenisstraf van 10 jaar.

De dochter van Joop vertelt in de rechtszaal ferm het trieste verhaal.
Ze vertelt dat Joop niet hield van conflicten, het altijd druk had, maar er ook altijd voor ‘ons’ wilde zijn.
Dat hij nu in een rolstoel zit, nooit meer kan lopen, nooit meer kan eten.
En dat hij ook nooit meer kan praten.
De helft van zijn lichaam is verlamd, rechts hoort hij niets meer en hij kan bijna ook niet meer zien.
Hij weet ook niet meer wat er is gebeurd, maar hij is depressief, verdrietig en boos.
Hij weet dat hij in een kapot lichaam leeft.
Ja, hij leeft nog, maar hij heeft geen leven meer.’

De advocaat van Joop zegt dat ze namens het slachtoffer 815.813, 11 euro claimt, voor iets dat niet te vergoeden is, namelijk voor een leven waar geen invulling meer aan kan worden gegeven.
De advocaat van Hendrik zegt dat er geen sprake is van voorbedachten raad, zegt dat er heel de avond geen wanklank is gevallen en toch schiet hij.
Hoe dat kan?
Dat kan als het toch een ongeluk is geweest.
De officier van justitie zegt dat ze de advocaat wel kan volgen, omdat hij de advocaat is van de verdachte.
Ze zegt: ‘Maar ik zie het anders.’

Hendrik krijgt het laatste woord.
Het zegt dat hij niet heeft geslapen, dat hij er veel moeite mee heeft, dat hij dit absoluut niet heeft gewild.
Hij zegt: ‘Sterkte voor de mensen die hier verder mee moeten.’

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 14 april 2014 – uitspraak
Geen poging tot moord, maar een poging tot doodslag. Zo kwalificeert de rechtbank de gebeurtenissen vorig jaar augustus in Grijpskerk. De rechtbank zegt niet uit te sluiten dat de lezing van Hendrik kan kloppen. Dus dat hij met het wapen dreigde met de bedoeling zijn gasten het huis uit te krijgen. In het vonnis staat:   ‘De mogelijkheid bestaat dat verdachte pas besloot daadwerkelijk te schieten op het moment dat hij schoot of kort daarvoor’. Hiermee is sprake van een opwelling.  Dat het wapen per ongeluk afging, zoals Hendrik ook heeft gezegd, vindt de rechtbank niet aannemelijk. Nu geen poging tot moord, maar wel een poging tot doodslag kan worden bewezen moet de straf iets lager zijn dan de geëiste 10 jaar. De rechtbank: 8 jaar gevangenisstraf.

Hendrik moet verder aan het slachtoffer 100.000 euro betalen. Er was 815.000 euro gevorderd. De rechtbank zegt hierover dat er te weinig informatie beschikbaar is om over de juistheid van die vordering te kunnen oordelen. Er zou dan nader onderzoek moeten worden gedaan en dat betekent een onevenredige belasting van het strafproces.

vonnis grijpskerk

klik voor volledige uitspraak

 

Het circus

Schermafbeelding 2014-04-01 om 09.28.57

dagblad van het noorden, dinsdag

Er wordt veel geklaagd in het rechtbankgebouw in Groningen.
Over dat de koffie niet gratis, maar wel vies is.
De toiletten meestal smerig.

Advocaten klagen het meest.
Advocaten klagen over het Openbaar Minsterie en over de rechtbank zelf.
Dat ze hun stukken niet krijgen, te laat of onvolledig.
Dat er nooit iemand bereikbaar is en over wat al niet meer.
De advocaten zeggen dat het ook steeds erger wordt.
Dan zeggen ze: zo erg als nu is het nog nooit geweest.

Het is maandagochtend, half elf.
De twee verdachten die terecht moeten staan, zijn er niet.
De twee advocaten die hen bij moeten staan, ook niet.
Er zijn wel twee mensen die zeggen slachtoffer te zijn.
Zij snappen er niets van.
Ze zijn al twee keer eerder voor niets geweest.
Dat zoiets zomaar kan.

De bode zegt dat hij er ook niets aan kan doen.
Juist als ze weg willen gaan, meldt een van de advocaten zich.
Hij zegt dat zijn client beneden in het hok zit.
Hij bedoelt daarmee dat de verdachte – een van de twee – er wel is, maar beneden, in het cellencomplex in de kelders van het rechtbankgebouw waar nog nooit daglicht is waargenomen.

De bode zegt dat hij dat niet wist en dat hij daar dus ook niets aan kan doen.

De advocaat briest en zegt dat het verbijsterend is want de zaak gaat niet door.
En dat zal dan de derde keer zijn.

De verdachte is Jan uit Pekela, 20 jaar.
Op 7 november vorig jaar en op 30 januari dit jaar was hij er ook al.
Door fouten kon de zaak toen niet worden behandeld.
Eerst maakte het Openbaar Ministerie fouten.
De tweede keer de rechtbank.
Ook was een zaak ten laste gelegd en uitgeroepen die al was geseponeerd.

Jan zit inmiddels acht maanden vast.
Hij wil weten waar hij aan toe is.
Jan deed het eerst goed, ook goed op school, maar hij maakte ineens een puinzooi van zijn leven.
Kort nadat zijn beste vriend zelfmoord pleegde, ging het echt mis en werd hij aangehouden.
De detentie valt hem steeds zwaarder.
Hij krijgt paniekaanvallen en om die tegen te gaan geven ze hem valium.
Het medicijn doet hem geen goed.

In de gevangenis heeft hij vanaf dag een, zegt hij, aan alles meegewerkt en geen een regel overtreden.
Dus ook geen drugs.
Hij heeft de cursus ‘kiezen voor verandering’ gedaan en wil zijn leven nu drastisch veranderen.
Hij zegt met tranen: ‘Ik ben supergemotiveerd, maar ik het het gevoel dat jullie denken, laat’m maar zitten.’

Jan zegt dat hij veel spijt heeft van wat hij heeft gedaan en dat hij goed beseft dat als hij nog wat van zijn leven wil maken, hij nu echt moet beginnen.
Tegen de rechters: ‘Ik probeer nu alles goed te doen.’
De rechters luisteren of bladeren in hun stukken.

Jan en zijn advocaat zeggen dat ze zich vorige week hadden voorbereid op de zaak, op de behandeling van vandaag.
Donderdag aan het einde van de middag kreeg de advocaat een telefoontje van de rechter-voorzitter.
De rechter deelde mee dat besloten was de zaak van Jan niet inhoudelijk te behandelen.
De rechters hadden ontdekt dat er meer zaken op de tenlastelegging stonden dan ze hadden gedacht.
De rechters zijn nu bang dat de zitting dan wel eens langer zou kunnen duren dan was gepland.
Dat zou betekenen dat de eerstvolgende zaak van half twee niet op tijd zou kunnen beginnen.
Daarom hadden ze besloten de zaak van Jan aan te houden tot 16 mei.

Eerder lukt echt niet, zeggen de rechters.
De advocaat zegt boos  dat het toch te gek voor woorden is.
Doe dan een zitting ’s avonds.
Of op zaterdag.
‘Ja toch?’

De advocaat kalmeert en verzoekt de rechtbank de zaak binnen twee weken te behandelen en als dat niet lukt, dan moet de voorlopige hechtenis worden geschorst.
Dan kan Jan die er ook niets aan kan doen zijn proces in vrijheid afwachten.
Hij kan bij zijn moeder terecht.

De officier van justitie zegt dat er al veel is misgegaan en dat ze de gang van zaken buitengewoon vervelend vindt.
Maar dat ze Jan niet wil laten gaan, want dat zal leiden tot maatschappelijke beroering.
De advocaat: ‘Hier kan ik geen begrip voor opbrengen.’

De rechters trekken zich terug voor beraad.
Na een kwartiertje weten ze raad: ‘Een zitting binnen twee weken lukt nooit en de belangen van strafvordering moeten zwaarder wegen dan uw persoonlijke belangen. U komt niet eerder vrij. Wij geloven in uw goede voornemens, maar het is even niet anders. Nog maar een paar weken, dan is het 16 mei.’

Jan verandert in boos.
Hij roept: ‘Het is een circus. Ik geloof jullie niet.’

Rob Zijlstra