Uit een onderzoek (2008) van de Raad voor de Rechtspraak is gebleken dat de justitiabele – dat is de verdachte – slecht voorbereid naar de rechtbank komt.
De raad vond dat toen zorgelijk.
Het is niet goed voor het vertrouwen in de rechtspraak.
Zo moet een verdachte weten dat hij niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
Daarom mag hij tegenover de rechters liegen dat hij barst.
Dat wordt gerespecteerd.
Donderdag was Mario, 20 jaar, een justitiabele.
Uit niets bleek dat hij naar de rechtbank was gekomen om eens even een flinke straf in ontvangst te nemen.
Integendeel.
Maar tijdens de zitting ging het hartstikke fout.
Zo fout dat Mario zonder dat in de smiezen te hebben, solliciteerde naar een pittige straf.
Mario woont in Eenrum en wilde in februari dit jaar met twee maten naar Groningen, beetje op stap.
Ze komen niet ver.
In de bocht ter hoogte van café Bulthuis gaat het nog goed, in de tweede bocht bij de Hubo ook, maar in de derde gaat het mis.
Mario vliegt uit de bocht.
Eerst schampt hij rechts een bermpaaltje, slipt naar links, mist op een haar een tegemoetkomende auto en komt tot stilstand tegen een lantaarnpaal.
Klaas, een van de inzittende maten, breekt het bovenbeen.
Mario en de andere maat hebben niks, maar ongelooflijk veel mazzel.
Een analyse van het ongeluk wijst uit dat Mario die derde bocht nam met tenminste tachtig kilometer per uur.
Dat is daar aan de Mensingeweersterweg veel te hard.
En dus zegt de officier van justitie dat Mario roekeloos dan wel zeer onvoorzichtig heeft gereden met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
En dat mag in de geest van de Wegenverkeerswet, artikel 6, een misdrijf heten.
De twee maten vertellen aan de politie dat Mario al keihard reed toen hij hen kwam oppikken in Eenrum.
Met gierende banden, hadden ze als getuige verteld, kwam hij aangescheurd. En toen ze in zijn zwarte Golf (1995) zaten, plankgaste Mario op zijn splinternieuwe banden het dorp uit.
Mario en de maten zijn nu geen vrienden meer.
Want ze liegen dat ze barsten, zegt Mario.
Hij zegt te denken dat ze hem nu een poot willen uittrekken door een forse schadevergoeding te eisen.
Daarom liegen ze.
Hij zegt tegen de rechters: ‘Het zat zo. Ik reed dus normaal, zoals altijd. Netjes vijftig. Toen wilde ik overschakelen naar z’n vier. En toen gleed mijn voet van het pedaal. Ik heb namelijk grote voeten, maat 46. Ik kwam met mijn voet klem te zitten tussen het gas en de rem. Ineens reed ik dus wel tachtig en toen kwam die bocht…’
De drie rechters fronzen hun zes wenkbrauwen.
Zeggen, bij wijze van spreke in koor: de voet klem?
Mario: ‘Ja. Al op het rechte stuk.’
Rechters: ‘Voet vast tussen het gas en de rem en dat over een afstand van 200 meter?
Mario, fel: ‘Ja, helaas wel.’
Rechters: ‘Echt waar? ‘
Mario: ‘U denkt toch niet dat ik met opzet mijn maten in de kreukels wil rijden? Of mijn auto in de prak?
Rechters: ‘U zegt dus, voet klem. En daar blijft u ook bij?’
Mario: ‘Ja. Ik heb die auto zelf betaald.’
De toon is gezet.
De rechters zeggen dat de maten helemaal geen schadevergoeding hebben ingediend. En dat ze ook helemaal niets hebben gezegd over die voet. Daar hadden ze niets van gemerkt.
Een van de rechters vraagt of Mario er wel verstandig aan doet zo’n verhaal te vertellen, in de zittingszaal, tegenover de rechters?
Mario, nog feller: ‘Het is mijn verhaal.’
Rechters: ‘Maar het is zo’n vreemd verhaal.’
Mario: ‘Dat mogen jullie vinden.’
Rechters: ‘Het is zo moeilijk te geloven.’
Mario, geïrriteerd: ‘…’
De officier van justitie bemoeit zich er nu ook mee.
Hij zegt dat hij nog grotere voeten heeft dan Mario, maat 47.
En dat hij nog nooit problemen heeft gehad met de pedalen in een zwarte Golf.
Mario komt niet tot inkeer, maar kijkt steeds bozer.
De rechters vragen: ‘Wat doet u overdag?’
Mario: ‘Ik ben bedrijfsleider. Op de kermis. Tornado, Breakdance, het grote spul zeg maar en dat het hele land door.’
Rechters: ‘Dus u heeft uw rijbewijs nodig?’
Mario: ‘Jazeker. Ik rij de hele dag van hot naar her.’
Rechters: ‘Wat verdient u?
Mario: ‘Oh, dat wisselt. Ik heb een nul-uren-contract. Zo’n vijfhonderd euro per maand, maar met kost en inwoning.’
Rechters: ‘Bedrijfsleider met een nul-uren-contract?
Mario: ‘Ja.’
De officier van justitie plaatst de derde bocht in een wat breder perspectief.
Zegt, vrij vertaald: ‘Mario is een beginnende bestuurder. Haalde zijn rijbewijs in juli 2008. Kocht drie maanden later, in november, zijn eerste zwarte Golf. En weer drie maanden later, in februari 2009, gaat het mis. En als ik hem hier op zitting zo hoor, dan schrik ik. Ik schrik van zijn machogedrag. Veel beginnende bestuurders denken dat ze kunnen autorijden, maar dat kunnen ze niet. Mario is een gevaar voor de verkeersveiligheid.’
De officier van justitie eist namens de samenleving een werkstraf van tachtig uur en twaalf maanden ontzegging van de rijbevoegdheid waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
Rechters: ‘Nou?’
Mario geeft opnieuw plankgas: ‘Ik drink geen drank, ik gebruik geen drugs, maar ik werk hard voor mijn geld. En zonder rijbewijs ben ik mijn baan kwijt. Dan zit er weer iemand in de ww. Daar word ik niet echt blij van.’
Zijn advocaat kan hem niet redden. Misschien dat de advocaat hem wel had gewaarschuwd. Zo van, Mario, je mag best liegen tegen de rechters, maar een leugen van een justitiabele moet wel een klein beetje geloofwaardig wezen. Anders helpt het niet.
Mario had kennelijk niet willen luisteren, maar denderde roekeloos door zijn strafproces heen.
En vloog weer uit de bocht.
Rob Zijlstra
uitspraak op 3 december











