Eis tegen niemand

Juridisch bezien zou

de prostitutie van vandaag

de dag ook wel verkrachting kunnen heten

 

.

Schermafbeelding 2014-07-12 om 03.20.40Een nu 34-jarige man uit Tsjechië stond afgelopen donderdag terecht voor de rechtbank van Groningen wegens mensenhandel.
Dat wil zeggen: hij stond op papier.

De aanpak van mensenhandel – met als doel die te bestrijden – heet een speerpunt te zijn.
Dat betekent dat deze vorm van zware misdaad extra aandacht krijgt en als het even kan met grote voortvarendheid wordt aangepakt.
Ook in Noord-Nederland.

Op 26 januari 2006 deed een jonge vrouw uit Tsjechië aangifte bij de politie in Groningen.
Wat ze deed – de hoer spelen achter de ramen in de Groningen (en soms ook in benauwde kamertjes in Leeuwarden) –  deed ze omdat ze daartoe werd gedwongen door een man die haar met een grote grijze Citroën naar Nederland had gebracht.
Ze moest 450 euro per week voor haar peeskamertje betalen, het geld dat ze verdiende – soms wel 2.000 euro in de week – moest ze afdragen.
Ze werkte vijftien, zestien uur per dag, ook wanneer ze ziek was of ongesteld.
Ze werd gecontroleerd en regelmatig in elkaar geslagen.
Dat hoorde er gewoon bij.

De man die al dit naars op zijn geweten zou hebben, had haar gekocht van zigeuners in Tsjechië.
Zij had zich op 18-jarige leeftijd bij hen aangesloten omdat ze te oud was geworden voor het kindertehuis waar ze haar rotjeugd had versleten.
De zigeuners beloofden haar van alles, maar ze belandde in seksclubs.
Toen was die man gekomen.
Hij had duizend euro voor haar betaald.
Daarmee was hij haar vriend geworden.

Drie jaar had ze voor hem gewerkt in een bordeel.
Op een dag zei haar ’vriend’ dat ze naar Nederland zouden gaan, naar Groningen waar ze bergen met geld zouden verdienen aan Groninger mannen.
Op de dag van aankomst in Groningen moest ze direct aan de slag.
Op de eerste werkdag verdiende ze 800 euro, maar ze bleef met lege handen zitten.
Ze moest alles afdragen.

Een ernstig verhaal, dat politiemensen die zich bezighouden met de bestrijding van mensenhandel niet heel vreemd voorkomt.
Zij kennen dit soort verhalen, soms nog veel erger.

Juridisch bezien zou prostitutie van vandaag de dag ook verkrachting kunnen heten.
Legale verkrachting, want de burgemeester – de overheid – heeft er een vergunning voor verstrekt.
Wie legaal een vrouw wil verkrachten, een vrouw seksueel binnen wil dringen, is vijftig tot zestig euro kwijt.
Wie zoiets spotgoedkoop wil, kan zieke vrouwen verkrachten op de gemeentelijke tippelzone (Groningen, Bornholmstraat).
Ook dat is daar door de overheid goed geregeld.

Dit terzijde.

Het verhaal van de jonge vrouw leidt in 2006 tot een onderzoek dat de codenaam ‘Vleugel’ krijgt. Vleugellam was misschien een betere benaming geweest.
Als gevolg van andere onderzoeken in dezelfde sfeer wordt Vleugel in de loop van 2006 stilgelegd om in 2009 weer te worden opgepakt.
En dan is het snel raak.
De verdachte in dit verhaal heet Richard D., in 1979 geboren in Chomutov.
De politie weet hem rap op te sporen: op 21 juni 2010 wordt hij op verzoek van de Nederlandse autoriteiten in Tsjechië aangehouden.
Hij ontkent.
Jawel, hij heeft in 2005 en ook in 2006 wel eens meisjes naar Nederland, naar Groningen gebracht, maar verder is zijn naam haas.
Hij is geen mensenhandelaar, hij handelt in autobanden, dat is heel iets anders.

Hij zit een paar dagen vast voor verhoor en mag dan gaan.
Op 25 januari 2012 is er de rechtszaak in Groningen.
Richard D. komt niet opdagen.
Hij is in Tsjechië waar hij altijd is.
Naar Groningen kwam hij alleen om geld op te halen.

De advocaat wil nieuwe getuigen horen wat tot vertraging leidt.
Groninger politieagenten reizen af naar Tsjechië, horen de getuigen en zetten alles op papier.
Er wordt een nieuwe rechtszaak gepland op 27 juni 2013.
Die gaat niet door omdat niemand weet waar de verdachte dan is.
En hij moet wel weten dat er een rechtszaak tegen hem is, dat vereist de wet.

Afgelopen donderdag ging de rechtszaak wel door.
De vrouw die Richard D. als een slavin zou hebben uitgebuit zit met een tolk in de rechtszaal.
Richard D. is er weer niet.
Op de dagvaarding staat dat hij ‘zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland’ is.

De rechters zeggen ambtshalve te weten dat Richard D. in Tsjechië bij zijn moeder woont ‘op een bekend adres’.

De officier van justitie reageert daar niet op, maar zegt dat het inderdaad allemaal veel te lang heeft geduurd, ze zegt dat de redelijke termijn is overschreden.
Niet goed, dat moet een kleine consequentie hebben.

Ze zal daarom geen achttien maanden gevangenisstraf eisen, maar een jaar.
Verdachte heeft recht op korting.
Daarnaast moet verdachte, vindt de officier van justitie, nog wel 15.000 euro aan de vrouw betalen die hij heeft uitgebuit.
De slavin zelf heeft een claim van 100.000 euro ingediend.

De advocaat vindt dat het Openbaar Ministerie het recht op vervolging heeft verspeeld. Wanneer in januari 2006 aangifte wordt gedaan en de verdachte vervolgens ruim vier jaar later, in juni 2010, wordt aangehouden kun je weer vier jaar later, juli 2014, niet nog eens een vrijheidsstraf van een jaar eisen tegen iemand die niet eens in Nederland woont.
Dus…

De rechters hebben twee weken nodig om uitspraak te doen.

Rob Zijlstra

.

naschrift voor het idee
Deze veel te late strafzaak zonder verdachte duurde bijna drie uur.
De zitting werd beroepsmatig bijgewoond door vijftien mensen, in de vorm van personen.
Er was een officier van justitie [1], drie strafrechters [4], een griffier [5], een bode (gerechtsdeurwaarder) [6], een advocaat (jan boone, toegevoegd) [7], een tolk (voor het slachtoffer) [8], een parketwachter (politie) [9], drie rechercheurs (politie) [12] en drie verslaggevers [15].
De drie verslaggevers zaten er op eigen kosten – zij het dat een [1] van hen werkt voor een door de overheid gesubsidieerde (regionale) omroep.
De overige twaalf beroepsmatig aanwezigen zijn (of worden) betaald door de overheid.

 

Klokjes

klokjesWat Pim hoorde was helemaal niet zo raar.
Hij hoorde zeggen dat op de Filipijnen een tekort aan medicijnen is, medicijnen die de mensen wel nodig hebben.
Zij daar nog meer dan wij hier.

Wie dat zei?
Een stem in het hoofd van Pim.
Hij dacht lang na en besloot medicijnen op te sturen.
De stem: ‘Maar Pim, hoe ga je dat doen, hoe kom je dan aan geld?’
Pim: ‘Weet jij iets?’
De stem: ‘Pleeg een overval.’
Pim: ‘Dat is een goed idee.’

En zo geschiedde.
Op 14 november vorig jaar – een donderdag, een koopavond – fietst Pim naar de binnenstad van Groningen en zet zijn fiets tegen de Hema aan.
Dan loopt hij naar de juwelierszaak van Siebel, iets verderop.

Als hij de zaak betreedt, trekt hij een bivakmuts over het hoofd en roept: ‘Klokjes.’
Een medewerkster vraagt even vriendelijk als geschrokken of hij die rare muts van zijn hoofd wil doen.
Maar dat doet Pim niet.
Hij roept nog een keer: ‘Klokjes.’
De medewerkster doet dan wat van haar wordt verwacht.
Ze stopt dertien horloges in een tasje en geeft die aan de overvaller.
Pim tegen de rechters: ‘Ik had wel in de gaten dat het niet de duurste klokjes waren.’

Met de buit wandelt hij de juwelierszaak uit, naar buiten.
Kort daarop wordt hij, nog in de Herestraat, aangehouden.
Tegen de rechters: ‘Ik dacht echt dat ik met een goede zaak bezig was. Maar toen ik werd aangehouden dacht ik, dit gaat de verkeerde kant op.’

Pim wordt opgesloten in een politiecel waar wordt vastgesteld dat hij in de war is.
Zo belandt hij op paviljoen E van een psychiatrische kliniek.

De officier van justitie zegt dat een bivakmuts over het hoofd in een juwelierszaak heel bedreigend is: ‘Ook al wordt er niets gezegd, ook al is er geen wapen.’
Volgens de officier van justitie wist de verdachte dat wat hij deed, niet goed was.
Zegt: ’Maar het belang dat hij zag – het opsturen van medicijnen – vond hij belangrijker.’
De officier van justitie vindt daarom dat Pim zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld, dat die bewezen kan worden.

De volgende vraag die officieren van justitie dan moeten stellen: is de verdachte ook een strafbare dader?
Die vraagt beantwoordt hij op advies van de psycholoog en de psychiater met ‘nee’.
De eis: een ovar.
Een ontslag van alle rechtsvervolging.
Dan heb je het wel gedaan, maar krijg je geen straf.

De rechters hebben twee weken over Pim nagedacht en zijn tot een andere zienswijze gekomen dan het Openbaar Ministerie.
De rechters vinden dat het dragen van een bivakmuts onvoldoende is om te kunnen spreken van bedreiging.
Het is misschien niet zo gepast, zo’n muts op koopavond in een juwelierszaak, maar meer kan het niet zijn.
En van diefstal is ook geen sprake, vinden de rechters.
De medewerkster stopte de klokjes in een tas en gaf die aan de overvaller.
Stelen – enig goed wegnemen – gaat anders.

Pim wordt vrijgesproken.
Voor hem maakt het niks uit.
De behandeling in de kliniek wordt voortgezet.

Rob Zijlstra

Het openbaar toilet

De politie heeft ter plaatse vastgesteld dat de buil er was
foto 1

Toiletgebouwtje Hoge der A

Het is 13 september 2013, rond drie uur in de nacht.
Tjeerd is op stap geweest, is op weg naar huis en moet plassen.
Dat doet hij – heel keurig – in het openbare toilet op de kade van het Hoge der A., randje binnenstad Groningen.

Terwijl Tjeerd zijn ding staat te doen, komt ineens een grote man de krappe en donkere ruimte binnen met een fles drank in de hand.
Rode port.
Tjeerd schrikt.
Een seconde later voelt hij een harde klap op het achterhoofd, en nog een.
Hij geeft zijn belager een duw.
De halflege fles raakt zijn bovenarm.

Buiten het toiletgebouwtje gebouwtje roept de belager: ‘Geef me je geld’.
Dan maakt de overvaller zich – zonder buit – uit de voeten.
Er passeert een fietser.
De gewaarschuwde politie komt ter plaatste en weet de belager korte tijd later aan te houden.
De man wordt meegenomen naar het politiebureau.
Het slachtoffer doet aangifte.

Het Openbaar Ministerie vindt dat er sprake is van een diefstal dan wel afpersing met geweld aan de openbare weg.
Het slachtoffer in het toiletgebouwtje werd geslagen en tegelijkertijd werd er om geld gevraagd.
Zou het slachtoffer een winkel zijn, dan heette het een overval.

De officier van justitie ziet voldoende bewijzen.
Ze heeft er drie.
De eerste is de aangifte van het slachtoffer.
Die aangifte wordt ondersteund door de buil op het hoofd van het slachtoffer.
De politie heeft ter plaatse vastgesteld dat de buil er was.
Het derde bewijs is de verklaring van de getuige die hoorde roepen: ‘Geef me je geld.’
De man die dat riep was dezelfde man die later door de politie werd aangehouden, zo laat de getuige optekenen.

De officier van justitie heeft welgeteld 35 seconden nodig voor haar requisitoir die ze afrond met een strafeis: een werkstraf van 200 uur.

De verdachte is een 29-jarige man uit Delfzijl.
Soms gaat hij naar Groningen, zo ook op die 13e september vorig jaar.
Hij had een fles drank, rode port, gekocht die hij langzaam burgemeester maakte, op een bankje in het park.
Hij heeft een vaste en goede baan op het water.

Hij vertelt aan de rechters dat hij niet dronken was, wel een beetje aangeschoten.
Hij had in het Noorderplantsoen gezeten en was richting de stad gelopen om te kijken of er nog wat te beleven viel.
Rond drie uur moet hij plassen.
Op het Hoge der A is een toiletgebouwtje op de kade.
Hij gaat naar binnen, de fles port in zijn hand.
Ineens een schrik.
Er is daar een man die ook schrikt.
Die man slaat wild om zich heen en wel zo dat de fles port tegen zijn tanden aankomt.
En tegen zijn bril.

De verdachte: ‘Daarom werd ik boos. Ik heb hem toen twee keer geslagen of zo. Het was een reactie. Omdat hij mijn bril raakte, riep ik: ‘Dit gaat je geld kosten’.
De verdachte ontkent dat hij riep: ‘Geef me je geld’.
Zegt: ‘Waarom zou ik dat doen? Ik heb geld zat.’
De verdachte denkt dat het zogenaamde slachtoffer en die getuige kennissen van elkaar zijn.
‘Zo kwam het wel op mij over.’

De rechtbank bepaalt over twee weken wat de waarheid moet zijn.

Rob Zijlstra

Bonte stoet

Voor wie wel is, is het heel lastig om nergens te zijn

Het was een week waarin een bonte stoet aan verdachten door zittingszaal 14 trok.
Er zat een allerergste verdachte tussen, dan ook een minst erge, de wekelijkse verdachte met heel veel spijt was er natuurlijk, er was een verdachte die niet was gekomen, en eentje die op zoek is naar contact met zichzelf.

De spijtverdachte van de week moet Tim (25) heten.
Hij had overigens vooral spijt van zichzelf.
Bij het winkelcentrum in Winschoten had hij op een muurtje van de parkeerplaats gezeten en daar zag hij hoe een mevrouw met boodschappentas haar autootje op de invalidenparkeerplaats opende.
Tim sprong van het muurtje, begroette de mevrouw en vroeg beleefd of hij een stukje mocht meerijden.
Tot aan de bushalte.

Dat mocht, hoewel de mevrouw een andere kant op moest.
Eenmaal in de auto werd Tim onvriendelijk.
Hij liet zijn mes zien, dreigde daar zwaaiend mee en eiste geld.
De aardige mevrouw had net geld gepind en mogelijk had Tim dat gezien.
Hij griste de tas met daarin de 250 gepinde euro’s weg en sprong uit de auto.

De aardige mevrouw die hem de lift had aangeboden was 81 jaar.
Ze belde toen haar belager zich uit de voeten maakte, doodsbenauwd de politie, maar op het verkeerde adres.
Een agent had tegen haar gezegd: ‘U bent overvallen? Dan moet u 112 bellen.’
Echt.
De officier van justitie zei het in de rechtszaal, iedereen kon dat horen.

De rechters vragen aan Tim: ‘Was mevrouw een willekeurig slachtoffer?’
Tim is eerlijk: ‘Nee. Als je snel geld wilt maken pak je natuurlijk geen afgetrainde sportschooljongen.’
Ja. Hij heeft veel spijt.
Logisch.
Hij wil ook graag hulp, op voorwaarde dat de diepere problematiek waarmee hij kampt – een diepe gokverslaving – nu eens wordt aangepakt.
De officier van justitie vindt dat een goed idee, maar wil eerst even afrekenen: 30 maanden celstraf.

Het bijzondere van dit proces is dat deze lelijke misdaad werd gepleegd in maart van dit jaar.
Dat de rechters daar nu al over moeten oordelen, is opmerkelijk.
De meeste misdaden die in Groningen aan de meervoudige strafkamer van de rechtbank worden voorgelegd zijn een tot twee jaar oud.
Wie in de tweede helft van dit jaar een misdaad begaat, heeft grote kans pas ergens in 2016 terecht te moeten staan.

‘Pleeg nu, betaal later’.
Daar kwam ook de verdachte achter die nadat hij vier dagen in een politiecel had gezeten, op zoek ging naar zichzelf.
Lang verhaal in het kort: zijn computer was stuk en de reparateur ontdekte in juli 2012 op de harde schijf kinderporno.
Nader onderzoek leerde ook dat hij in 2010 ontucht had gepleegd met zijn lievelingsneefje van 12.
Zelf was hij toen net 19.
Inmiddels is hij 23 jaar en niet meer zo onzeker want hij is volledig uit de kast gekomen.
Nog altijd volgt hij twee keer per week therapie.
Hij heeft zichzelf redelijk goed gevonden, maar is nu bezig om contact met zijn emoties te leggen.
Zijn behandelaars verwachten dat er nog een lange weg moet worden afgelegd.
De officier van justitie wil de pret niet bederven.
Een taakstraf van 180 uur kan volstaan (eis).

Er was een verdachte die niet kwam opdagen.
Hij heet Lamor, 33 jaar, geboren in Gendershe, Somalië.
Hij heeft geen bekende woon- of verblijfplaats, maar wel een postadres: het politiebureau aan de Koggelaan in Zwolle.
Lamor heeft een keer iets gedaan wat niet mag en dat heeft grote consequenties gekregen: hij is tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Dan ben je op papier nergens meer en ook niet welkom.
Maar omdat je nog wel een ademend mens bent en ook nog eens van vlees en bloed die zich kan voortbewegen (dus niet dood) is het heel erg lastig om nergens te zijn.
Op 13 juli 2012 ging het mis in Groningen.
Hij was en viel in de armen van de politie; agenten stelden zijn ongewenstheid vast en sloten hem op.
Zoiets mag maar even duren en na even mocht Lamor zich dus weer ademend voortbewegen.
Lang mocht dat evenwel niet duren: op 27 september 2012 liep hij die niet mag zijn, maar wel is opnieuw tegen de lamp.

Afgelopen donderdag (2014) moest hij zich in zittingszaal 14 verantwoorden voor zijn illegaal verblijf in Nederland op twee verschillende dagen.
De officier van justitie: ‘Meneer die er niet is, is een strafbare dader. Ik eis zes maanden gevangenisstraf.’

In de bonte stoet van deze week liep een verdachte dominee uit Appingedam mee (ontucht en verkrachting), een wodka-drinkende asielzoeker die stomdronken ruzie kreeg over het geloof met zijn ongewenste kamer- en landgenoot (poging tot moord), de ervaren veelpleger die geld had gestolen van zijn hulpverleners liep halverwege, vlak achter hem een politieman uit Veendam die werd verdacht van mishandeling.
Hij zou – anderhalf jaar geleden – iemand opzettelijk hebben geslagen met de vuist en met in die vuist een Maglite.
Achteraan in de stoet, niet zichtbaar, de spoorloze verdachte die – net andersom – een agent zou hebben mishandeld.
En tot slot, helemaal vooraan, hoste Berend die op 1 januari 2012 met een dronken kop de toegang van de Lidl in Uithuizen had opgeblazen met een vuurwerkbom.

Dan was er de allerergste verdachte, een verdachte als nachtmerrie.
In mei 2011 trok hij in Stadskanaal een spelend meisje van straat, een meisje van 6 jaar.
Hij dwong haar in zijn auto vol rotzooi te stappen.
Hij reed met haar weg, bedreigde haar, misbruikte haar in het bos en zette haar daarna uit de auto.

In oktober 2013 deed hij dat nog een keer, In Delfzijl.
Ditmaal was het slachtoffer een meisje van 4 jaar.
Hij verkrachtte haar in zijn vieze auto en dumpte het kind een uur later in Appingedam op straat.
Een man die de hond uitliet zag het huilende meisje dwalend lopen, hij ontfermde zich over haar en wist haar adres te achterhalen.
Lange tijd werd er daarna in de kinderrijke buurt in Delfzijl niet meer op straat gespeeld, en was er onrust op de scholen.
De angst regeerde.

De officier van justitie noemt de nachtmerrie een perverseling en eiste 10 jaar gevangenisstraf.
De allerergste verdachte had gerekend op 8 jaar gevangenisstraf.
Voor hem op tafel ligt een briefje.
Steeds nadat de rechters hem een vraag hebben gesteld, tuurt hij naar het papiertje en leest de woorden voor die erop staan: ‘Ik beroep mij op mijn zwijgrecht’.

Aan de meeste verdachten raak je gewend, maar de allerergste verdachte, die went nooit.

Rob Zijlstra

UPDATE – 7 juli 2014 – uitspraak
Tim – de spijtverdachte – is veroordeeld tot dertig maanden celstraf waarvan tien maanden voorwaardelijk zijn. Aan de aardige mevrouw moet hij een schadevergoeding betalen van 790 euro.

 

TBS: minder krampachtigheid graag

o p i n i e

 

Schermafbeelding 2014-06-27 om 00.38.01De criminaliteit neemt al jaren gestaag af en een goed functionerend TBS-systeem levert een wezenlijke bijdrage aan veiligheid.
Een overeenkomst tussen de daling van de misdaad en een functionerend TBS-systeem is dat maar weinig mensen het willen geloven.
Liever zien we (kennelijk) meer misdaad en als het even kan, moeten die lelijke daden worden gepleegd door TBS’ers op verlof.
Dat past beter omdat ons beeld soms wat scheef staat.

De gezamenlijke TBS-klinieken hebben nu het voornemen gelanceerd om de duur van de TBS-behandeling te verkorten door soepeler om te gaan met het verlenen van verloven.
Daar worden vast mensen heel onrustig van.
Maar het is een goede zaak.

Op grond van oneigenlijke argumenten – niet in de laatste plaats gevoed door een paar trieste incidenten met TBS’ers op verlof – is de forensische psychiatrie (wat TBS is) in het verdomhoekje terechtgekomen.
Het imago is beroerd en niet alleen aan de borreltafel.
Ook onder officieren van justitie en strafrechters is de maatregel niet heel populair.
In Groningen wordt de dwangverpleging drie tot vier keer per jaar opgelegd.
Dat is wel eens anders geweest.

Maar ook de TBS-sector zelf was in een kramp geschoten.
Harry Beintema, directeur behandelzaken van de Van Mesdagkliniek in Groningen, beaamt dat.
Hij zegt: ‘Niemand wilde meer de laatste beoordelaar zijn als het ging om het verlenen van verlof. De angst dat het toch mis zou gaan was te groot. De druk vanuit de samenleving werd gevoeld. Hierdoor bleven TBS’ers onnodig lang binnen.’

Het gevolg: in tien jaar tijd steeg de gemiddelde behandelduur van een TBS’er van vijf tot zes jaar naar tien tot elf jaar.
Beintema: ‘En de politiek vond dat niet erg. Als er maar niets gebeurde.’

Binnen de TBS-sector is er de overtuiging dat door soepeler om te gaan met het verlenen van verloven, de behandelduur uiteindelijk korter wordt.
Een gemiddelde duur van acht jaar is nu het streven.
Dat moet het vertrouwen in het systeem doen toenemen.
En iets minder peperduur maken.

Maar niet alleen daarom.
Minder TBS betekent in de praktijk dat meer mensen met ernstige psychische stoornissen – en die mensen bestaan echt – in de gevangenis belanden en vervolgens zonder behandeling op vrije voeten komen.
Zo iemand wil je ’s avonds liever niet tegenkomen.

Het voornemen is dat iemand die de TBS-maatregel krijgt opgelegd, binnen twee jaar na de opname onder begeleiding op verlof mag.
Binnen vier jaar kan een onbegeleid verlof worden toegekend.
Binnen zes jaar zou de TBS’er onder begeleiding, maar buiten de kliniek moeten gaan wonen, binnen acht jaar volgt dan het ‘echte’ proefverlof.
TBS’ers die te boek staan als ‘te gevaarlijk’ krijgen niks.
Dat was al zo en dat moet ook zo blijven.

De TBS-klinieken hebben het gelijk aan hun kant, maar het blijft een lastige boodschap.
Het is ook daarom te hopen dat andere partijen – de politiek voorop – in navolging van de sector zelf het lef hebben minder krampachtig te zijn.
De borreltafel volgt daarna wel.

Rob Zijlstra

dit artikel stond donderdag 26 juni ook in Dagblad van het Noorden en op vrijdag 27 juni in de Leeuwarder Courant

.

nieuwsbericht tbs

dagblad van het noorden, woensdag

 

 

 

De dappere dochter

Dat de wijsheid met de jaren komt, zal toch niet voor iedereen gelden?

Haar stem vol ingehouden woede,  maar met niet te verhullen verdriet klettert door zittingszaal 14.
Overal vallen haar woorden neer en overal is het raak.
Ze zegt dat ze lang dachten dat ze een begrafenis moesten regelen, dat ze machteloos moesten zien hoeveel helse pijn ze had, dat alles nu op de kop staat, dat ze heus wel ziet hoe haar vader zo vreselijk zijn best doet rechtop te blijven staan, terwijl ze wel weet dat hij al lang is omgevallen.
Dat ze een baan kon krijgen, eindelijk een echte baan, maar dat dat nu niet kan, dat ze met haar vriend in een huis gaat wonen, maar dat ze helemaal niet blij kan zijn omdat ze haar moeder niet alleen wil laten.
Dat ze zich afvragen of het ooit weer goed zal komen.

De woorden doen zeer.
In de rechtszaal vechten toehoorders tegen tranen, ook aan de perstafel.
Als deze ontzettend dappere dochter is uitgesproken, klopt haar moeder haar bemoedigend op haar schouder.
De moeder is het echte slachtoffer in dit verhaal.
Het is een wonder dat ze er zit.

Het intense verdriet dat de zaal heeft gevuld staat in schril contrast met de lege man die verantwoordelijk wordt gehouden voor al deze ellende.
De lege man is 71 jaar, ziek en hij heeft daarom geen te grote verwachtingen meer van de toekomst.
De officier van justitie heeft evenwel een grote verrassing voor hem in petto.

De officier van justitie zegt het beleefd.
Zegt: ‘Hoewel leeftijd van meneer en zijn gezondheid contra-indicaties zijn voor een gevangenisstraf zie ik geen enkele reden af te wijken van de richtlijnen.’
De officier van justitie eist dat de rechters de lege man voor acht maanden naar de gevangenis sturen.

De lege man heet Dirk en hij was op de dag dat het gebeurde jarig.
’s Middags was de fles Sonnema op tafel gekomen voor een paar borrels.
Hoeveel borrels?
Nou ja, een paar dus.
Drie, vier. na zes uur niks meer, dat weet hij dus zeker.

Het lijkt wel of Dirk liegt en hij maakt het misschien nog wel veel erger.
Zijn verhaal wil dat hij na een paar borrels in de middag tegen acht uur in de auto is gestapt om bij De Sultan in Vlagtwedde twee broodjes shoarma te halen, een rit van ruim dertien kilometer.

Dirk rijdt in zijn oude Peugeot over de Loosterweg, binnen de bebouwde kom, hij mag daar vijftig.
Daar, op nog geen kilometer van zijn woning, loopt ook Marja (47) met haar vriendin.
Zij oefenen voor de Nijmeegse Vierdaagse.
Ze dragen hesjes met gekleurde ledlampjes.
Die doen het ook.

Om 20.46 uur komt de eerste melding bij de politie binnen: er is een ernstig ongeluk gebeurd op de Loosterweg.
Een automobilist heeft een voetganger geschept.
Voetgangster is zeer ernstig gewond, de automobilist is doorgereden.

Dirk haalt zijn broodjes shoarma, rijdt weer naar huis, passeert de plaats van het ongeluk vol zwaailichten en vertelt aan zijn echtgenote dat er kennelijk iets is gebeurd.
Waar?
Nou hier vlakbij, op nog geen kilometer.
Ze eten de shoarma.

Dirk tegen de rechters: ‘En toen kwam de fles Sonnema ook weer op tafel.
Er zat nog een kwart in.
Die heb ik opgedronken.
Ja ik alleen, mijn vrouw dronk sherry.’

De politie doet onderzoek en vindt op de plaats van de aanrijding een afgebroken buitenspiegel.
Ze gaan kijken op het internet en stellen vast dat de spiegel hoort bij een wat oudere Peugeot.
Met die kennis gaan de agenten op pad, overal kijken.
Tegen een uur in de nacht is het raak en bellen ze bij Dirk aan.
Hij moet mee naar het bureau, de auto wordt in beslag genomen.
Om twee uur in de nacht wordt zijn adem op alcohol gecontroleerd: een apparaat meet 345 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht.
Te veel, want 220 is de grens.

Dirk zegt dat hij van de aanrijding niets heeft gemerkt.
Hij heeft geen vrouwen met lichtgevende hesjes zien lopen binnen de bebouwde kom waar hij vijftig kilometer per uur mocht rijden.
Dat de wandelende vrouw over zijn auto heen is geklapt, heeft hij ook niet gemerkt.
Koplamp rechtsvoor stuk?
Nah, niet gezien, niet gemerkt.
Dirk zegt dat hij al 51 jaar achter het stuur van auto’s zit en nog nooit iets heeft veroorzaakt.

Rechters: ‘U was dronken.’
Dirk: ‘Nee.’
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) was gaan rekenen.
Wie ’s nachts om twee uur 345 ug/l blaast, zou ten tijde van het ongeval 500 tot 900 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht blazen.

Rechters: ‘Dan was u dronken.’
Dirk, getergd: ‘Nee. Ik ben pas nadat ik weer thuis ben gekomen gaan drinken. Hoe vaak moet ik dat nou nog zeggen?’
Rechter: ‘Ik hou u alleen de feiten voor, dat is mijn werk.’
Rechters: ‘Als het waar is wat u zegt, dat u pas ’s avonds na het ongeluk bent gaan drinken, dan had u’s nachts geen 345 ug/l geblazen, maar veel meer. Is het echt wel waar wat u zegt?’

Dirk wil misschien de waarheid helemaal niet weten.
Misschien denkt hij wel dat het beter is om zich van de domme te houden.
Dat de wijsheid met de jaren komt, zal toch niet voor iedereen gelden?

De verkeerstechneuten van de politie zeggen dat gezien de schade aan de auto, het niet aannemelijk is dat de bestuurder niets van het ongeluk heeft meegekregen.
De aanrijding moet een enorme klap zijn geweest.
Bij de Sultan hadden ze de volgende dag een foto van Dirk laten zien.
De Sultan zei: ‘Oh, die. De dronken man.’

De officier van justitie wil hem nog wel geloven.
Zij zegt: ‘Hij heeft niets gezien, hij niets gemerkt. Kan. Vanwege de alcohol. Acht maanden.’

Daar zit je dan.
Op leeftijd te ontkennen en te draaien, met vlak achter hem een vrouw die misschien nooit meer goed kan lopen en anderszins.
Hij probeert de woorden van de dappere dochter te ontwijken.
Vraagt zich misschien wel af of hij er wel goed aan heeft gedaan om nooit iets van zich te laten horen.
De rechters zeggen dat ze op 26 juni uitspraak doen.
Dirk reageert.
Hij zegt: ‘Oh, dan is mijn vrouw jarig.’

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 26 juni 2014 – uitspraak
Dirk is veroordeeld tot 7 maanden celstraf en een rijontzegging van 3 jaar. Meer informatie volgt.