Feeds:
Berichten
Reacties

Maten

Uit een onderzoek (2008) van de Raad voor de Rechtspraak is gebleken dat de justitiabele – dat is de verdachte – slecht voorbereid naar de rechtbank komt.
De raad vond dat toen zorgelijk.
Het is niet goed voor het vertrouwen in de rechtspraak.

Zo moet een verdachte weten dat hij niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
Daarom mag hij tegenover de rechters liegen dat hij barst.
Dat wordt gerespecteerd.

Donderdag was Mario, 20 jaar, een justitiabele.
Uit niets bleek dat hij naar de rechtbank was gekomen om eens even een flinke straf in ontvangst te nemen.
Integendeel.
Maar tijdens de zitting ging het hartstikke fout.
Zo fout dat Mario zonder dat in de smiezen te hebben, solliciteerde naar een pittige straf.

Mario woont in Eenrum en wilde in februari dit jaar met twee maten naar Groningen, beetje op stap.
Ze komen niet ver.
In de bocht ter hoogte van café Bulthuis gaat het nog goed, in de tweede bocht bij de Hubo ook, maar in de derde gaat het mis.
Mario vliegt uit de bocht.

Eerst schampt hij rechts een bermpaaltje, slipt naar links, mist op een haar een tegemoetkomende auto en komt tot stilstand tegen een lantaarnpaal.
Klaas, een van de inzittende maten, breekt het bovenbeen.
Mario en de andere maat hebben niks, maar ongelooflijk veel mazzel.

Een analyse van het ongeluk wijst uit dat Mario die derde bocht nam met tenminste tachtig kilometer per uur.
Dat is daar aan de Mensingeweersterweg veel te hard.
En dus zegt de officier van justitie dat Mario roekeloos dan wel zeer onvoorzichtig heeft gereden met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
En dat mag in de geest van de Wegenverkeerswet, artikel 6, een misdrijf heten.

De twee maten vertellen aan de politie dat Mario al keihard reed toen hij hen kwam oppikken in Eenrum.
Met gierende banden, hadden ze als getuige verteld, kwam hij aangescheurd. En toen ze in zijn zwarte Golf (1995) zaten, plankgaste Mario op zijn splinternieuwe banden het dorp uit.

Mario en de maten zijn nu geen vrienden meer.

Want ze liegen dat ze barsten, zegt Mario.
Hij zegt te denken dat ze hem nu een poot willen uittrekken door een forse schadevergoeding te eisen.
Daarom liegen ze.

Hij zegt tegen de rechters: ‘Het zat zo. Ik reed dus normaal, zoals altijd. Netjes vijftig. Toen wilde ik overschakelen naar z’n vier. En toen gleed mijn voet van het pedaal. Ik heb namelijk grote voeten, maat 46. Ik kwam met mijn voet klem te zitten tussen het gas en de rem. Ineens reed ik dus wel tachtig en toen kwam die bocht…’

De drie rechters fronzen hun zes wenkbrauwen.
Zeggen, bij wijze van spreke in koor: de voet klem?
Mario: ‘Ja. Al op het rechte stuk.’

Rechters: ‘Voet vast tussen het gas en de rem en dat over een afstand van 200 meter?
Mario, fel: ‘Ja, helaas wel.’
Rechters: ‘Echt waar? ‘
Mario: ‘U denkt toch niet dat ik met opzet mijn maten in de kreukels wil rijden? Of mijn auto in de prak?
Rechters: ‘U zegt dus, voet klem. En daar blijft u ook bij?’
Mario: ‘Ja. Ik heb die auto zelf betaald.’

De toon is gezet.
De rechters zeggen dat de maten helemaal geen schadevergoeding hebben ingediend. En dat ze ook helemaal niets hebben gezegd over die voet. Daar hadden ze niets van gemerkt.
Een van de rechters vraagt of Mario er wel verstandig aan doet zo’n verhaal te vertellen, in de zittingszaal, tegenover de rechters?

Mario, nog feller: ‘Het is mijn verhaal.’
Rechters: ‘Maar het is zo’n vreemd verhaal.’
Mario: ‘Dat mogen jullie vinden.’
Rechters: ‘Het is zo moeilijk te geloven.’
Mario, geïrriteerd: ‘…’

De officier van justitie bemoeit zich er nu ook mee.
Hij zegt dat hij nog grotere voeten heeft dan Mario, maat 47.
En dat hij nog nooit problemen heeft gehad met de pedalen in een zwarte Golf.
Mario komt niet tot inkeer, maar kijkt steeds bozer.

De rechters vragen: ‘Wat doet u overdag?’
Mario: ‘Ik ben bedrijfsleider. Op de kermis. Tornado, Breakdance, het grote spul zeg maar en dat het hele land door.’
Rechters: ‘Dus u heeft uw rijbewijs nodig?’
Mario: ‘Jazeker. Ik rij de hele dag van hot naar her.’

Rechters: ‘Wat verdient u?
Mario: ‘Oh, dat wisselt. Ik heb een nul-uren-contract. Zo’n vijfhonderd euro per maand, maar met kost en inwoning.’
Rechters: ‘Bedrijfsleider met een nul-uren-contract?
Mario: ‘Ja.’

De officier van justitie plaatst de derde bocht in een wat breder perspectief.
Zegt, vrij vertaald: ‘Mario is een beginnende bestuurder. Haalde zijn rijbewijs in juli 2008. Kocht drie maanden later, in november, zijn eerste zwarte Golf. En weer drie maanden later, in februari 2009, gaat het mis. En als ik hem hier op zitting zo hoor, dan schrik ik. Ik schrik van zijn machogedrag. Veel beginnende bestuurders denken dat ze kunnen autorijden, maar dat kunnen ze niet. Mario is een gevaar voor de verkeersveiligheid.’

De officier van justitie eist namens de samenleving een werkstraf van tachtig uur en twaalf maanden ontzegging van de rijbevoegdheid waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Rechters: ‘Nou?’

Mario geeft opnieuw plankgas: ‘Ik drink geen drank, ik gebruik geen drugs, maar ik werk hard voor mijn geld. En zonder rijbewijs ben ik mijn baan kwijt. Dan zit er weer iemand in de ww. Daar word ik niet echt blij van.’

Zijn advocaat kan hem niet redden. Misschien dat de advocaat hem wel had gewaarschuwd. Zo van, Mario, je mag best liegen tegen de rechters, maar een leugen van een justitiabele moet wel een klein beetje geloofwaardig wezen. Anders helpt het niet.

Mario had kennelijk niet willen luisteren, maar denderde roekeloos door zijn strafproces heen.
En vloog weer uit de bocht.

Rob Zijlstra

uitspraak op 3 december

Curriculum Vitae van Abdel

Er zijn mensen die graag horen dat het de buitenlanders zijn die onze misdaden plegen.
Want dan kunnen ze denken, zie je wel.
Zij die dit denken, kunnen in onderstaand verhaal hun hart ophalen.
Het is een verhaal – meer een opsomming eigenlijk – over de misdaden van Abdel, over zijn cv.

Abdel komt uit Hargeisa, Somalië.
Toen hij 8 jaar was, kwam hij in zijn uppie als vluchteling naar Nederland.
Hier werd hij een ama – een alleenstaande minderjarige asielzoeker.

Was Abdel toen niet gekomen, dan was hij nu misschien wel een strijder geweest van de radicale Al-Shabaab-groepering, een visser zonder boot of was hij al lang en breed gesneuveld in de straten van Mogadishu.

Zijn familie is (of was) in goeden doen, zijn vader deed (of doet) iets met tankstations. Binnen de familie is de zeer welbespraakte Abdel de enige die niet wil deugen.

De voorbije vijf jaar stonden een kleine tweeduizend verdachten terecht in zittingszaal 14 van de Groninger rechtbank.
Qua frequentie staat Abdel fier op de eerste plaats, met zes bezoeken in zes verschillende strafzaken.

Het begint op 21 januari 2005.
Het gaat niet lekker met Abdel die dan al lang geen ama meer is, maar 23 jaar.
In de Coranthijnestraat probeert hij een taxi te beroven. Hij bedreigt de chauffeur met een mes, zegt ‘dit is een overval’ en eist geld.
Het mislukt.
Hij meldt zich later bij de politie en zegt dat hij het zonder hulp niet trekt.
Abdel wordt voor de poging veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf voorwaardelijk.

Ruim een jaar later, op 16 februari 2006, krijgt Abdel ruzie met Van X.
Hij slaat de man en als die omvalt, schopt hij hem.
Daarna slaat hij Van X. met een volle fles rode wijn op het hoofd.
Justitie gaat uit van een poging tot doodslag, maar de rechtbank vindt dat er sprake is van noodweer.
Abdel werd aangevallen en mocht zich verdedigen op de manier zoals hij heeft gedaan.
Hij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging (ovar).

Het wordt in datzelfde jaar 11 oktober.
Abdel overvalt een hem bekende man nabij diens woning aan de Rembrandt van Rijnstraat. Hij dreigt met een mes (‘geld, anders prik ik je’). De buit bestaat uit twee mobiele telefoons en een klein geldbedrag. Hij wordt gepakt en de rechtbank veroordeelt hem tot anderhalf jaar celstraf.

Abdel is net weer op vrije voeten als hij op 31 januari 2008 in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat samen met een andere man drugs gebruikt. Onverwacht eist hij dat de medegebruiker zijn drugs betaalt en dwingt (mes) de man mee te lopen naar een pinautomaat.
Vijf dagen later, op 4 februari, volgt hij een jongeman op straat. Op het moment dat deze een woning aan de Muurstraat wil binnenstappen, springt Abdel naar voren en onder bedreiging van weer dat mes maakt hij zich meester van diens mobiele Sony Ericsson.

Abdel gaat er vandoor, maar de man holt hem achterna en weet ook de politie te waarschuwen.
Abdel wordt korte tijd later aangehouden.
Hij zegt onschuldig te zijn.
De gestolen telefoon heeft hij wel in zijn bezit.
Net gekregen, zegt Abdel, van een Antilliaan met een helm op.
Dit was ter compensatie omdat ‘de helm’ hem eerder vijf gram slechte cocaïne had verkocht.

Justitie eist ditmaal een jaar celstraf. De rechtbank legt dat ook op, maar bepaalt dat drie van de twaalf maanden voorwaardelijk zijn.
Misschien zal dat Abdel leren, een heel kwartaal als stok achter de deur.

Op 23 september 2008 is hij weer op vrije voeten.
Hij houdt op straat een fietser aan, stompt de man in het gezicht en eist de Montego-fiets op.
Hij wordt voor de zoveelste keer opgepakt, zit een paar maanden vast, maar wordt op 19 januari 2009 vrijgesproken.
Hij heeft het misschien gedaan, maar het aangeleverde bewijs is te gering voor een veroordeling.

Deze week zat Abel voor de zesde maal sinds 2005 in zittingszaal 14 van zijn huisrechtbank.
De overval op de woning aan de Westindischekade geeft hij toe.
Dat was ik wel, zegt hij, zij het dat het geen overval was.
Hij haalde er alleen wat geld op.

De vier straatroven waarvan hij wordt verdacht, gepleegd in april en mei van dit jaar, ontkent hij stellig.
Iemand die straatroven pleegt, is niet goed bij zijn hoofd, zegt hij tegen de rechters.
En dat een van de slachtoffers nog maar 16 jaar was, vindt hij heel naar.
Hij zegt: ‘Hartstikke rot voor zo’n jonge jongen, maar ik was het niet.’

Hij was in die woning omdat de bewoner hem slechte drugs had verkocht. Het klopt niet dat hij had aangebeld en toen direct dreigend met een mest stond te zwaaien. De politie kwam wel sussen, maar had niemand aangehouden. Later ontdekt de slechtedrugsverkoper dat zijn mobiele telefoon verdwenen was.

In de Kerklaan waar ’s nachts een bromfietser werd aangehouden door een man die om een sigaret bietste, was Abdel nooit geweest. Het slachtoffer verklaarde dat ze samen hadden gerookt, een leuk gesprek hadden gevoerd en ineens was de aardige man veranderd in een geweldadige engerd die hem een mes op de keel zette.
De buit: een mobiele telefoon, 15 euro aan contanten, een aansteker en een pakje sigaretten.

Ook de 16-jarige jongen was in de nacht aangesproken door een man die vroeg of hij diens telefoon even mocht gebruiken voor het versturen van een sms’je.
Nee, zei de jongen, waarop de man zei: ‘Niet fokken hè, ik ben geen kut-Antilliaan.’
De man dreigde met een mes en zo raakte de 16-jarige zijn Sony Ericcson K800i kwijt.
Heel gemeen, zei Abdel dus.

De man die aan de Korreweg werd beroofd, herkende zijn belager: ‘t is Abdel ja.
Abdel zegt: ‘Tuurlijk herkende hij mij. Ik woon vijftig meter verderop. Hij heeft mij vast wel eens gezien. Maar ik ga toch niet zo dicht bij mijn huis iemand beroven?’
De man raakt zijn telefoon kwijt. En zijn fiets.

Op 7 mei, op de dag dat Abdel wordt aangehouden, zou in de Noorderstationsstraat een man met de rug tegen de muur zijn gezet en vervolgens beroofd van telefoon en geld.
Abdel moet glimlachen als de rechters hem hierover ondervragen.
Hij zegt dat hij het slachtoffer wel kent.
En het slachtoffer hem ook.
En bij de politie heeft hij daar dus niet over gesproken.
Met geen woord. Nogal logisch, vindt Abdel, want ik was het niet.

Met alle telefoons werd kort na de beroving gebeld met Bennie.
Abdel kent Bennie.
Bennie is de grootste dealer van Groningen, zegt hij.
Abdel denkt daarom dat de straatrover vast een junk moet zijn.

Er zijn tegenstrijdigheden in de opgegeven signalementen.
Abdel heeft wel een hoed, maar dat is een cowboyhoed en geen pooiershoedje waar een van de slachtoffers over rept.
Hij heeft wel haar, maar niet kort met stekels.
En ja, hij draagt een ketting. Van zilver. Niet van goud, zoals is gezegd.

Abdel mag de schijn tegen hebben, keihard bewijs is er niet.
De advocaat: ‘De mogelijkheid dat anderen het hebben gedaan, kan niet worden uitgesloten.’

De officier van justitie is echter zeker van zijn zaak.
Er zijn wel twee, drie rode draden en al die draden komen uit bij Abdel.
Hij eist vier jaar gevangenisstraf.

Abdel schudt het hoofd en kijkt nu heel ernstig.
Hij wil naar Rotterdam, om zijn leven daar verder vorm te geven.
Richting bouwkunde, had hij gedacht.
Er woont daar een broer van hem en die zal hem steunen.

Abdel: ‘Maar vier jaar onschuldig de gevangenis in? Nee. Dat zal ik niet kunnen verkroppen.’

Rob Zijlstra

We Work

Als op maandagochtend de tweede strafzaak aanvangt, vult zittingszaal 14 zich met mist.
De rechters hebben er last van.
Ze zeggen: we moeten de feiten in het dossier met een zaklampje zoeken.
De advocaat herhaalt dat graag, logisch natuurlijk.
Maar ook de officier van justitie zegt het en dat ligt minder voor de hand.
Het is immers haar dossier.

Als de zitting na twee uur is afgelopen, kan ik mij niet voorstellen dat de rechters van de hoed en de rand weten.
Of misschien is het zo dat ze niet alles willen weten.
Alleen het hoognodige.

Want wat een gekke zaak.

Suzanne is een goed opgeleide vrouw van 33 jaar.
Ze studeerde Engels aan de universiteit en werkte zoals zo velen in Groningen in de horeca.
Op de een of de andere manier leert ze Gerben kennen.
Hartstikke leuk en dus trouwen ze.

Gerben werkt ook in de horeca.
Eerst als zus en dan als zo.
Uiteindelijk bestiert hij samen met een compagnon een uitzendbureau: We Work.
Het is een horeca-uitzendbureau dat vooral werkt voor de zaken die worden verpacht door horecaondernemer Sjoerd Kooistra.

De helft van We Work is van de compagnon.
Vanwege zakelijke perikelen uit het verleden vindt Gerben het verstandiger dat de andere helft op naam komt te staan van zijn Suzanne.
Suzanne vindt dat best wel goed.

Het is me overkomen, zegt ze maandagochtend vanuit het verdachtenbankje tegen de rechters.
En ook: ‘Ik heb het nooit in de gaten gehad. Maar als het fout is, dan ben ik schuldig.’

Rechters: ‘Nooit ging bij u een belletje rinkelen?’
Suzanne: ‘Gerben had altijd wel een mooi verhaal, een goede babbel.’
Rechters: ‘En daar nam u genoegen mee?
Suzanne: ‘Ja.’
Rechters: ‘Las u de jaarstukken, de kwartaalverslagen?
Suzanne: ‘Nee.’
Een van de rechters: ‘Pff. En dat noemt zich intelligent.’

Het enige dat Suzanne – directeur van papier, maar wel volledig aansprakelijk – wist was dat de zaken best wel goed liepen.
En niet zo’n beetje best wel goed ook.

Ineens hadden ze een zwembad met superbubbels in de niet eens zo grote achtertuin.
Bij Boutique Cartier kochten ze een ring ter waarde van 20.900 euro.
Hij kocht een Porsche, een Jaguar en reed in een Range Rover in afwachting van de komst van een Aston Martin.
Gerben had zich voor dat ding ingekocht op de wachtlijst.
Ze verbleven in Hotel Ritz als ze in Parijs waren en als ze geen tijd hadden om te koken aten ze in restaurant De Pauw.
Dat is geen eetcafé in Groningen.

Suzanne knikt als de weelde wordt opgesomd.
Voegt nog wel toe dat ze die ring nooit heeft gezien, wel haar trouwring, maar die had vijfduizend gekost. En wat dat zwembad betreft, Gerben had haar nooit verteld dat dat 25.000 euro had moeten kosten. Ze dacht ook vijfduizend. Want dat zei hij met zijn babbels.

Rechters: ‘En u keek niet verder dan de neus lang is.’
Suzanne: ‘Ik ben wel erg geschrokken van al die geldbedragen.’
Rechters: ‘En bent u ook geschrokken van uw eigen naïviteit?’
Suzanne: ‘Ja, klopt.’

De officier van justitie ziet in Suzanne niet de grote boef.
De grote boef is Gerben, zegt de officier.
Suzanne is wel medeplichtig aan verduistering.
Zij maakte het mogelijk dat Gerben geld van de rekeningen van We Work kon doorsluizen naar de rekeningen van hem en Suzanne.

In totaal zou er 843.065 euro zijn overgeboekt.
Dat is inclusief 209.426 het salaris waar ze samen wel recht op hadden.
Het verduisterde bedrag: 633.639 euro.

De officier van justitie: ‘U tekende als directeur stukken zonder de inhoud te kennen. Daarmee bent u opzettelijk behulpzaam geweest. En uit niets blijkt dat u dit bedrag mocht lenen. Uw naïviteit is niet straffeloos.’
Suzanne knikt, dat snapt ze natuurlijk ook wel.

De advocaat van de tweede eigenaar van We Work deed aangifte waar aanvankelijk weinig mee werd gedaan. Na een procedure bij het hof moest de officier van justitie uitleggen waarom het zo lang duurde en toen werd ineens wel vervolging ingesteld.

Maar volgens de advocaat is Suzanne meer slachtoffer dan medeplichtig dader.
Eigenlijk, zegt de advocaat, is Suzanne het slachtoffer van een loverboy.
Gerben overlaadde haar met luxe en zorgde er ondertussen voor dat zij civiel aansprakelijk was.
Suzanne was ook op geen enkele manier betrokken bij financiële zaken van het uitzendbureau.
In feite was ze als directeur slechts administratief medewerkster.
En dat ze Gerben blind vertrouwde, is logisch.
Ze waren immers getrouwd.

Er doen ook andere lelijke verhalen de ronde.
Dat de mannen achter We Work de boel samen hebben leeggetrokken.
En dat de directrice is geofferd.
Maar deze verhalen kwamen tijdens de zitting, misschien vanwege de mist, niet aan de orde.
En dan is het strafrechtelijk gezien ook niet zo.

Om te voorkomen dat justitie Suzanne naar de gevangenis zou sturen, had de advocaat verzocht de mogelijkheden van elektronisch toezicht (enkelbandje) te onderzoeken.
En die mogelijkheid is er.
Suzanne heeft de weelde achter zich moeten laten en woont nu op een piepklein kamertje. Daar kan ze best vier maanden elektronisch opgesloten zitten, vindt de officier van justitie.
Daarnaast, zo luidt de eis, een taakstraf van 240 uur en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Suzanne snapt ook dit.
Ze probeert nu haar leven weer op de rails te krijgen.
Ze heeft een baan als secretaresse en een werkgever die het weet.
Door flink te werken hoopt ze haar schulden te kunnen betalen, al met al meer dan een miljoen euro want de belastingdienst was ook nog geweest.

En Gerben?
Gerben moet later terechtstaan.
Gerben zit nog even in Duitsland.
Vast.
Drugs.

Rob Zijlstra

Ex-it

logo justitieDuizenden mensen worden op dit moment, in de zin van nu, gestalkt.
Een enkele keer komt een stalker voor de strafrechter.
Zo stonden in de voorbije vijf jaar 25 mannen en vrouwen in zittingszaal 14 terecht voor het stelselmatig lastigvallen van een man of een vrouw.
Dader en slachtoffer zijn meestal exen.

Er is een rode draad.
De stalker vindt het vaak maar overdreven dat hij verdachte is.
De gestalkte leeft in een nachtmerrie.
En bijna altijd vloeit de ellende voort uit iets wat eens zo mooi was.

Gabriël en Henny leerden elkaar drie jaar geleden kennen in het zwembad.
Daar waren ze omdat hun kinderen er leerden zwemmen.
Tijdens het wachten begonnen ze elkaar leuk te vinden en toen kwam natuurlijk van het een het ander.

Zij is getrouwd met een man op zee.
Dus die was lekker vaak weg van huis.
Hij hielp haar aan een baantje op zijn werk.
Zo werden ze behalve intiem ook collega’s.

In oktober vorig jaar kwam aan alles een einde.
Dat wil zeggen: Henny wilde dat.
Gabriel liever niet.

In februari dit jaar deed ze voor de eerste keer aangifte.
Onlangs de laatste.
Tegen de rechters zegt ze: ‘Ik ben mijn vrijheid kwijt. En hij gaat door tot op de dag van vandaag.’
Gabriël ontkent dat.
Hij zegt: ‘Na februari heb ik niks meer gedaan. Daarvoor ben ik misschien wel een beetje te ver gegaan. Ik vond het ook best moeilijk dat Henny niet meer wilde.’

Gabriël voert aan dat hij nooit het idee heeft gehad dat Henny er echt tabak van had. Van hem.
‘Dat is bij mij nooit duidelijk doorgekomen. Ze had eens gezegd, dat als er wat is, ik altijd bij haar zou kunnen komen. Nou.’

Hij stuurde haar wel eens 250 sms’jes.
Zij stuurde dan 100 berichtjes terug dat hij moest ophouden.
Gabriël: ‘Ze reageerde dus wel steeds.’

Nadat Henny begin dit jaar aangifte had gedaan, vertelde Gabriël aan zijn vrouw en zoon wat er allemaal wel niet en wel was gebeurd.
Wat hij toen niet wist, was dat zijn vrouw en zoon het al lang in de smiezen hadden.
Als sinds 2006.
Als hij onder de douche stond, checkten ze zijn telefoon en zagen al die berichtjes over en weer.
Ze hielden het bij, maar op de een of de andere manier meer ook niet.

Op het werk werd het ook een probleem.
Henny’s banden waren een paar keer lek gestoken.
Wist Gabriël niks van, zegt hij.
Toch werd hij overgeplaatst.
Hij moest zijn werkplek dicht bij huis verruilen voor een plek ver weg, uur rijden heen, uur terug.

Vaak, zegt de officier van justitie, rijdt hij langs het huis van Henny.
Of staat hij ineens in haar straat.
Gabriël zegt dat dat niet waar is. Hij zegt dat hij daar langs moet rijden om naar zijn werk te gaan. Bij haar langs is de kortste weg.

De rechters, die toch al niet heel erg gecharmeerd lijken van de verdachte, zeggen dat ze het maar eerlijk zullen zeggen: ‘We hebben even zitten te googelen en dan blijkt dat u niet de kortste weg naar uw werk neemt, maar de meest ingewikkelde.’

Gabriël – er staat voor hem nogal wat op het spel – doet nog een poging de rechters op andere gedachten te brengen.
Hij draait de boel om.
Zegt dat hij ook wordt lastiggevallen.
Dat er auto’s bij hem in de straat staan.
Misschien wel collega’s van hem die op de hand van Henny zijn.
Dat die collega’s van voor de overplaatsing hem dus in de gaten houden.

De officier van justitie is daar niet van onder de indruk.
Hij ziet in Gabriël de klassieke stalker.
Zij zegt duidelijk nee, maar hij accepteert dat niet.
Mevrouw, zegt de officier, heeft de geloofwaardigheid aan haar kant.
‘Ze is ook een keurige mevrouw.’

Hij geeft Gabriël wel een plusje omdat die zegt te willen meewerken aan een behandeling als dat moet. Maar de officier van justitie zegt dat hij ook een gebaar wil maken naar het slachtoffer.

Hij eist dan een werkstraf van 180 uur en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, gekoppeld aan een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast: reclasseringstoezicht om een behandeling te kunnen afdwingen, een contactverbod en een straatverbod in de ruime omgeving van de woning van Henny, met uitzondering van de afrit van de snelweg opdat hij nog wel ingewikkeld op zijn werk kan komen.

Zijn werk.

Bij een veroordeling verliest Gabriel zijn baan.
Zijn werkgever houdt niet van verdachten die door rechters tot daders worden veroordeeld.
Tijdens de rechtszaak bleef lang onduidelijk wat Gabriel nou precies deed.
Maar ineens zag ik het: hij werkt bij justitie.
Dat kon je zien aan het witte justitielogo op zijn zwarte sokken.

Gabriël bewaakt mannen die net als hij in zittingszaal 14 terechtstaan.

Rob Zijlstra

Deurtjesbellen

Jan is een 52-jarige man, groot, met nog grotere handen en voor niks en niemand bang. Hij kijkt ontzettend nurks.

Esmee is een meisje van 12, tenger en gek op paardrijden.
Ze trilt vreselijk.

Hij werkt zes dagen in de week, staat elke ochtend om vijf uur op en rijdt dan vanuit het dorp in het westen van de provincie Groningen naar Almere.
Om alle kosten van het woon-werkverkeer te kunnen betalen, handelt hij op dag zes van de week in wortels.
De zevende dag is rustdag, dan gaat hij met echtgenote en zijn vier kinderen naar de kerk.

Zij heeft drie vriendinnetjes en samen halen ze soms kattenkwaad uit.
Zoals op 15 februari dit jaar.
Gingen ze ’s avonds lekker keetlellen.
Deurtjesbellen in het dorp.

Grote Jan praat met luidde stem.
Hij is boos en niet zo’n klein beetje ook.
Ze hadden hem geplaagd, ja, geterroriseerd.
En niet een keertje, maar zo vaak.
En niet alleen hem, maar ook anderen.
Maar die anderen durfden niks.
Nou, hij dus wel.

Zegt: ‘Ik werk zes dagen in de week en laat me niet plagen door kleine meisjes.’

De dorpsjeugd mocht graag bij Jan deurtjesbellen.
Lekker spannend, want hij kwam tenminste achter je aan. En dan schreeuwde hij er ook nog bij.

Jan zegt dat hij ‘natuurlijk’ te ver is gegaan, dat voorop. In zekere zin. Want eigenlijk ook niet.
‘Want ze doen het nu nooit weer.’

Hij had die avond in het donker achter de deur gestaan. En toen die ettertjes aanbelden, had hij de deur opengetrokken en had hij de kleine Esmee bij haar lange haren te pakken.
‘Ik pakte haar direct bij de kuif, ze kon geen kant op. Toen heb ik haar onder de lantaarnpaal getrokken en geslagen.’

Rechters: ‘En ook geschopt. En een knietje. En toen ze u smeekte te stoppen, ging u door. Dat zeggen de getuigen.’
Jan, bokkig: ‘Nee, ‘k heb alleen geslagen. Ik heb niet gekeken waar, maar ik heb haar wel flink geraakt. Ik was het zo zat.’

Rechters: ‘U was heel boos. Misschien bent u in uw woede vergeten wat u allemaal heeft gedaan.’
Jan, narrig: ‘Ik ben goed bij mijn verstand.’

Met opgeheven vinger vertelt hij de rechters dat die ouders beter op hun kinderen moeten letten, dat zijn eigen kinderen zoiets nooit zouden doen. En doen ze het wel, tiert hij, dan krijgen ze op hun falie.

Esmee werd flink te grazen genomen. Bloedneus, opgezwollen wang, pijnlijke knieën, gebroken duim en ze raakte twee keer kort buiten bewustzijn.
Zo werd ze die avond met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.
Ze moest een tijdje op krukken lopen, hand in het gips.

En nu, negen maanden later, doet nog steeds veel zeer.
Pijn in het aangezicht, hoofdpijn, zijn er concentratieproblemen en nachtmerries.
Overal ziet ze dan dat woeste hoofd. Of zijn grote handen en voeten achter de ramen.
Paardrijden kan bijna niet meer.

De rechters vragen wat voor een vader hij is.
Jan antwoordt dat zijn kinderen weten wat nee is. En als ze toch iets doen wat niet mag, dan krijgen ze straf.
Maar hij slaat ze niet.
Zegt: ‘Ik ben een goede vader. Ze haten me niet.’

De rechters zeggen dat kinderen nu eenmaal dingen doen die niet mogen.
Ze zeggen: ‘Dat hoort bij kinderen. Ook bij uw kinderen.’

Jan bromt en gromt en roept – weer die vinger – dat de rechtvaardigheid zal zegevieren. Dat hij maanden is geplaagd. Herhaalt nog maar eens dat hij zes dagen in de week hard werkt en dat hij de kost met vier kinderen alleen moet verdienen.

De rechters: ‘U bent een rechtlijnige man. Voor u bestaan er slechts geboden en verboden.’
Jan, getergd nu: ‘Klopt. Ik ben een harde klootzak. Dat is mijn nadeel.’
Rechters: ‘En als ze nu weer bij u gaan deurtjesbellen. Wat doet u dan?
Jan, kribbig: ‘Politie bellen. Tenminste, dat hoop ik voor u.’

De rechters geven zich nog niet gewonnen.
Merken op, want dat staat in het dossier, dat zijn vrouw veel verdriet heeft over wat er is gebeurd. Ze vragen of er misschien andere problemen zijn in het harde leven van Jan. Spanningen of zo.
Misschien vanwege de verplaatsing van zijn werk naar helemaal Almere?

Voor het eerst briest hij niet, maar laat hij het boze hoofd zakken.
Zwijgt.
En breekt.
Dan moet hij huilen.

De officier van justitie heeft tijdens het uur dat de rechters Jan stevig ondervragen met een strakke blik naar hem gekeken.
Hij zegt dat hij naar de grote handen van deze grote man heeft gekeken en naar de tengere Esmee.
En dat je met zulke handen maar weinig hoeft te doen om zwaar lichamelijk letsel te doen ontstaan.

Hij kiest voor de pogingvariant.
Maar dan wel eentje met voorbedachten rade.
En daar staat wel eventjes acht jaar gevangenisstraf op.

Jan kijkt met de linkerhand onder de kin naar opzij, naar de muur met de kleine raampjes.

De officier van justitie zegt dat hier sprake is van een heel ernstig feit.
Maar dat hij ook rekening wil houden met de persoon van de verdachte.
‘Type ruwe bolster, blanke pit. Maar tijdens de zitting hebben we ook een andere kant van de verdachte kunnen zien. We zagen emoties. Hij brak. Misschien is er wel sprake van een verrassend zachte binnenkant.’

De officier van justitie zegt dat hij een stevige gevangenisstraf in gedachten had, maar dat hij door het verloop van de zitting op andere gedachten is gebracht: geen celstraf, maar een werkstraf van 200 uur en twee maanden voorwaardelijke celstraf.
En het betalen van geleden schade aan Esmee: 3.000 euro.

Jan heeft zijn tranen weggeveegd en is weer de man bij wie de jeugd van het dorp zo graag mag keten.
Bromt: ‘Kan d’r niks aan veranderen.’
En, zich bewust van de aanwezigheid van de ouders van Esmee: ‘Komen ze d’r mooi van af.’

Je ziet de rechters denken: ‘Wat jammer nou dat hij nu weer die harde kant laat zien.’

Rob Zijlstra

De aanslag

Tijdens de lunchpauze, rond half een, besluit Guus (26) een ommetje te maken.
Hij kan als alles goed gaat als management trainee aan de slag bij Theodorus Niemeyer. Hij doet een assessment en er staat hem een zwaar middagprogramma te wachten.

Wat frisse lucht zal hem goed doen.
Bij de kruising ziet hij een man staan.
Het lijkt wel of hij de weg zoekt.
Hij loopt door, de man voorbij.

Zelfde dag, ergens anders in de stad Groningen.

David is niet naar school gegaan, bewust niet.
Hij gaat naar de binnenstad en drinkt ergens een glas cola.
Dan pakt hij de bus naar het zuiden van de stad.
Hij weet wat hij daar moet doen en ook waar.

Bij de kruising ziet hij een man lopen.

Die man past bij de beelden in zijn hoofd.
Want het moest geen oude man, vrouw of kind zijn.
Het moet iemand zijn die aan hem is gewaagd, geen zwak persoon.
Op de kruising houdt hij zijn pas een beetje in, zodat de man hem wel moet passeren.

Een seconde later roept David ‘godverdomme, ja’ en steekt een mes met kracht in de hals van Guus.
Dan rent hij weg.

Guus voelt hevige pijn, hij voelt hard metaal in zijn nek.
Met zijn hand voelt hij een gat onder het rechter oor.
De punt van het mes – dat is afgebroken – voelt hij naast zijn adamsappel.
Hij wil schreeuwen, maar er komt geen geluid.
Hij denkt dat hij doodgaat.
De plas bloed wordt groter.
Hij vecht om niet buiten bewustzijn te raken.
Bang dat hij zal stikken in bloed legt hij het hoofd op de stoeprand.
Een bus van Arriva stopt, de chauffeur verleent eerste hulp.
Toevallig passeert een ambulance.

Als de officier van justitie de gebeurtenissen op die klaarlichte dag schetst, is het beklemmend stil in zittingszaal 14 waar al veel akelige verhalen zijn verteld.
Ik zie dat een van de rechters zijn hand even over zijn eigen hals laat glijden.
De advocaat zegt dat ook hij er koude rillingen van krijgt.

David zit onbeweeglijk in zijn stoel, de vingers gespreid op de knieën, het hoofd gebogen.

Hij was weggerend, terug naar de binnenstad.
Hij zegt: ‘Ik wilde iets voelen. Ik dacht als ik zo iets ergs doe, dan moet er wel een gevoel naar boven komen.’
Rechters: ‘Maar dat gebeurde niet.’
David: ‘Nee.’

Even later zegt hij: ‘Ik moet eerlijk zijn. Zodat ik een terechte straf krijg. Ik vind het een laffe actie. Ook voor de nabestaanden vind ik het heel erg. Ik baal van mezelf.’

In het Pieter Baancentrum had hij gezegd dat hij ontzettend veel straf moet krijgen.
De gedragsdeskundigen verklaren David sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechters: ‘U kon het met uw eigen wil niet voorkomen.’
David: ‘Nee. Ik zal elke straf accepteren.’

Toen het gebeurde, was hij net twee weken 18 jaar.
David wordt omschreven als een intelligente jongen, zonder strafblad, maar vol spanningen.
Hij was bang, bang dat hij een stoornis had.
Hij had gelezen en ontdekt dat hij misschien wel autistisch is.

Zo was het idee in zijn hoofd ontstaan.
Hij zou iemand, iemand die het goed heeft, iets moeten aandoen.
Neersteken.
Desnoods vermoorden.
Dan zou hij iets voelen.

Dit idee had zich in zijn hoofd vastgezet.
En omdat het in zijn hoofd zat, moest het gebeuren.
Hij kon zijn voornemen wel uitstellen, maar niet afstellen.

Heel bewust was hij die dag niet naar zijn school gegaan, bang dat hij een medeleerling iets zou aandoen.
Daarom pakte hij de bus naar zuid, naar daar waar de mensen wonen die het in zijn beleving goed hebben.

Op de kruising keek hij om zich heen, alsof hij de weg zocht.
Maar hij zocht een slachtoffer.
En zag toen Guus die hij nooit eerder had gezien.

Nadat David was weggerend en gevoelens uitbleven, rende hij door, naar zijn moeder en vertelde haar alles.
Hij zei dat ze de politie moest bellen.
Moeder belde 112 en bracht haar zoon naar het bureau.

De politie onderzocht zijn computers en zag dat hij recent in Google vooral zoektermen als moord en tbs had gebruikt.
Gedragsdeskundigen vermoeden het syndroom van Asperger. Als gebeurtenissen in het leven van David niet verlopen volgens een vast patroon, leidt dat tot enorme spanningen die hij niet kan omzetten.
Agressieve films geven hem rust, die verlossen hem van zijn kwellingen.
Fictie en werkelijkheid kan hij niet scheiden.

Deskundigen adviseren een tbs met voorwaarden.
In Warnsveld bestaat een speciale kliniek. David kan er op 16 november al terecht.
Want dat is het beste voor hem, dat hij zo snel als mogelijk kan beginnen met een intensieve behandeling.

De advocaat zegt dat dit uiteindelijk ook het belang is van de maatschappij, dat David snel wordt behandeld.

Dat vindt de officier van justitie ook wel.
Maar zij zegt dat ze in een spagaat zit.
Dat ze de belangen van David (snel naar Warnsveld) moet afwegen tegen het belang van vergelding die recht doet aan het slachtoffer en die de maatschappij verlangt.

Dat de kans op herhaling volgens de deskundigen klein is, noemt ze nogal verbazingwekkend.
Ook in detentie – David zit sinds 23 februari vast – zijn er twee incidenten geweest.
Ze eist daarom vier jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging voor een poging tot moord.

Hoewel David het een paar keer heeft over nabestaanden, gaat het met Guus naar omstandigheden redelijk.
Hij was niet aanwezig in zittingszaal 14 om een confrontatie met de man die hij op de kruising passeerde, maar nooit heeft gezien, te voorkomen.
Dat wil hij zo houden.
Hij kan weer praten, zij het met moeite en met zachte, hese stem die misschien altijd zo zal blijven.

Rob Zijlstra

UPDATE – 16  november 2009 – uitspraak
De rechtbank heeft geen uitspraak gedaan omdat ze zich onvoldoende voelt geïnformeerd. De rechters willen meer weten over de persoon van de verdachte. Er was een advies hem tbs met voorwaarden op te leggen, de officier van justitie eiste een tbs met dwangverpleging. Tijdens detentie zijn er twee incidenten geweest waarbij David aangaf een medegedetineerde iets aan te willen doen. Dat meldde hij. Nadat hij was overgeplaatst verwondde hij zichzelf. Voor de rechtbank zijn deze incidenten reden om aan de gedragsdeskundigen van het Pieter Baancentrum nadere vragen te stellen. Een en ander betekent dat het onderzoek wordt heropend en dat er een nieuwe zitting komt.

Met dit tussenvonnis geeft de rechtbank aan een tbs met  dwangverpleging vooralsnog een stap te ver te vinden.


Menpower

oude kijk

oude kijk in 't jatstraat / dvhn

Valentijn (20) had twee uurtjes moeten wachten voordat zijn strafzaak begon.
Er was uitloop en bij aanvang van de zitting boden de rechters hiervoor hun verontschuldiging aan.
Valentijn accepteerde die.
Zei: ‘Is wel goed.’

Hij had ook helemaal niet zo erg gevonden, want ik bespeurde enige branieachtige vrolijkheid toen hij daar in de hal maar zat te wachten. Na afloop van de zitting, bij het verlaten van het gerechtsgebouw, had de branie volgens mij plaatsgemaakt voor opluchting, maar nog net zo vrolijk.

Valentijn was helemaal vanuit Amsterdam naar Groningen gekomen.

Tijdens de zitting zelf had ik niet de indruk dat hij erg onder de indruk was van de rechters.
Het was ook niet zijn eerste keer.
Hij had geen advocaat meegenomen.
Er was dus niemand die hem kon adviseren over de gewenste proceshouding.
Dat hij bijvoorbeeld tegenover de rechters niet onverschillig moest zitten wezen.
En ook niet moest lachen.

Bij de politie had hij eerst niks willen zeggen.
Tijdens een tweede verhoor weigerde hij antwoord te geven op vragen.
Daarna had hij gezegd dat hij niks had gedaan.

Rechters: ‘En nu?’
Valentijn: ‘Ik heb niks gedaan.’

In de vroege ochtend van 15 augustus vorig jaar liep er een man door de Oude Kijk in ‘t Jatstraat in Groningen.
De man was net bij de dokter geweest en die had hem over de uitslag van het onderzoek verteld.
Dat er geen uitzaaiingen waren.
De man, 74 jaar, was op die vroege ochtend op weg naar huis om het blijde nieuws aan zijn echtgenote te vertellen.

Halverwege de straat, ter hoogte van het uitzendbureau, kwam de oude man vier vrolijke jongens tegen.
Die waren heel de nacht op stap geweest en waren nu zwalkend op weg naar huis.

De langste van het stel legde een arm op de schouder van de oude man.
De andere drie gingen met wilde gebaren om hem heen staan.
De oude man zei dat hij er langs wilde en probeerde door te lopen.

En dan ineens was er een explosie van het meest zinloze geweld op die vroege ochtend in de Groninger winkelstraat.
De langste haalde uit en sloeg de oude man vol in het gezicht.
Hij viel op de grond en bleef liggen.

De vrolijke vier gaven elkaar lachend high-fives en renden toen hard weg.
In het ziekenhuis stelden de artsen vast dat de linker oogkas van de oude man was verbrijzeld.

Een getuige holde ontdaan achter het groepje aan, alarmeerde een passerende motoragent en de langste van de vier kon worden aangehouden.
De anderen later.

De langste stond eind vorig jaar terecht en werd veroordeeld wegens zware mishandeling tot een ingewikkelde straf.
Hij kreeg 347 dagen gevangenisstraf, waarvan 270 dagen voorwaardelijk.
Dat betekende dat hij op de dag van de uispraak de gevangenis na 77 dagen mocht verlaten. Vervolgens moest hij een half jaar met een enkelbandje om thuiszitten en daarna moest hij voor straf nog eens honderd uur nuttig werk verrichten.

Tijdens de zitting toonde de langste veel berouw.
Zijn punt was dat hij de oude man misschien wel keihard had geslagen, alleen wist hij dat niet meer.
Zo dronken.

Valentijn wist het nog wel.
Dat wil zeggen, een beetje.
‘Het is al weer lang geleden.’

Hij wist nog wel dat hij niks had gedaan.
Hij wist dat hij op straat een gesprekje had gevoerd met die oude man.
Omdat die man nogal opgefokt deed, moesten de rechters weten.
Valentijn had dat kunnen horen omdat ‘de man met een bepaald volume tegen ons sprak’.
Valentijn was ook niet zo dronken als de langste geweest.
Hij had alleen bier gedronken en whisky.

Rechters: ‘En drugs?
Valentijn: ‘Moh, wel een paar joints.’

Tegen de reclassering had hij gezegd dat hij lastig is, koppig en egoïstisch. Een agressieregulatietraining die hij al een keer op last van rechters had moeten volgen, had hij niet gevolgd.
Hij moet nu wel gesprekken voeren met de reclassering, maar dat schiet niet echt op.
‘Ze bellen niet.’

Rechters: ‘Het is bij u allemaal nogal vrijblijvend hè.’
Valentijn: ‘Misschien wel.’

Met de oude man en het linker oog is het volgens mij niet meer goed gekomen.
Met Valentijn wel.
Hij vertrok naar Amsterdam, was daar eerst nog een jaar zwervende want dakloos, maar mag nu weer bij zijn moeder wonen.
Hij volgt een opleiding en hoopt eens een ict’er te worden.

De officier van justitie zei dat Valentijn niet de fatale klap heeft uitgedeeld, maar dat hij er wel bij was.
Dus openlijk geweld tegen personen gericht.
De eis: een werkstraf van 200 uur en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.
Dat is inclusief fietsen die hij ook nog had gestolen.

De rechters: ‘Wat vindt u daar nou van?’
Valentijn zei dat hij in december naar Suriname gaat. Dat hij het ticket al heeft gekocht. Of dat dan nog wel kan doorgaan?’
De rechters zeiden dat dat vast geen probleem zal wezen.
Valentijn die niets heeft gedaan, met lachje: ‘Dan kan ik er wel mee leven.’

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 16 november – uitspraak
Een vonnis conform de eis: een taakstraf van 200 uur en 2 maanden voorwaardelijke celstraf, een vonnis waar Valentijn mee kan leven.

Eigen domein

In de verdachtenbank zit maandagochtend een gemankeerde man.
Hij zegt tegen de rechters: ‘Ik maak mezelf liever van kant dan dat ik een kind wat aan zou doen.’
Het komt er nogal theatraal uit.

Bert woont met zijn moeder en broer in een huis in Groningen.
Hij is 42 jaar en leeft een teruggetrokken leven.
Hij leeft als een kluizenaar op zijn slaapkamer en de enige uitstapjes die hij maakt zijn naar de wc en de badkamer.
Op die kamer zit hij heel de dagen achter de computer.
Hij eet daar ook.

Het is geen vrolijk huishouden en steeds vaker is aan het einde van de maand, als de rekeningen betaald moeten worden, het geld op.
Daarom trekt ook de vriendin van zijn broer bij hen in.
De vriendin heeft een dochtertje.
Zij is dan elf jaar.

Het lijkt iedereen een goed idee dat Annemieke bij Bert op de kamer komt.
Of misschien was het wel zo gegaan dat niemand het onverstandig vond dat Bert zijn kamer ging delen met het meisje.

Bert zeker niet.
Hij gaf haar cadeautjes en het duurde niet heel lang dat hij zijn eenpersoons bed verruilde voor een tweepersoons.
Dat had hij altijd al willen hebben.
Een meisje van elf hoort bovendien niet op de grond te slapen.

Nu moet ik schrijven dat het hartstikke fout ging op die kamer.
Dat Bert niet in staat bleek zich volwassen te gedragen.
En, zoals het op maandagochtend werd gezegd, dat hij zich niet leeftijdsadequaat heeft ontwikkeld.

Bert zegt desondanks dat het heel dom is wat hij heeft gedaan.
Zo dom, dat het hem soms te veel wordt en dat hij te veel verdriet heeft om dit alles te moeten doorstaan.
Daarom had hij in de gevangenis ook zijn polsen doorgesneden.
Hij zegt dat hij hulp nodig heeft, omdat hij het alleen niet gaat redden.
Hij zegt dat hij op zijn slaapkamer een eigen domein had gecreëerd en dat dat niet goed is geweest.
En dat zijn broer hem heeft laten stikken.
Al drie keer had hij vanuit de gevangenis een brief geschreven, maar nooit heeft hij een reactie mogen ontvangen.
Zijn enige vriend heeft hij al negen maanden niet gezien.
Hij is zijn naam al vergeten.

Bert ontkent dat er een zweep is gebruikt.
En touwen.
En de handboeien, die kwamen uit de feestwinkel aan het Zuiderdiep.
Nou, en dat zij veel pijn heeft geleden, kwam hem toch wel vreemd voor.
Want, zegt Bert, ze wilde alles zelf, zij nam altijd het initiatief, niet ik, nooit. Ik ga liever dood.’

De officier van justitie zucht.
Hij zegt dat hij de verkrachtingen niet kan bewijzen.
Uit het dossier blijkt onvoldoende dat er sprak is geweest van dwang met gewelddadigheden.
Ontuchtige handelingen met iemand die de leeftijd van twaalf nog niet heeft bereikt kunnen wel worden bewezen.

De officier van justitie eist daarom achttien maanden celstraf waarvan zes voorwaardelijk.
Hij zegt dat hij met deze strafeis rekening heeft gehouden met het gegeven dat Bert aan de ondergrens zit van het intellectuele spectrum.
‘Maar ook hij moet met zijn tengels van kinderen afblijven.’

De advocaat zegt dat Bert niet het besef heeft dat wat er is gebeurd, niet kan.
De advocaat stelt een strafeis voor van vijftien maanden waarvan vijf voorwaardelijk en een begeleid wonen-traject. Bert kan de gevangenis dan binnen een paar weken verlaten.
Bert zegt in zijn laatste woord, zelfs een beetje monter, dat hij akkoord gaat met die vijftien maanden, vijf voorwaardelijk.

Naarmate ik langer in de rechtbank zit, groeit het idee dat er in Groningen meer mannen zoals Bert bestaan, dan er criminelen zijn.

Rob Zijlstra

 

UPDATE - 16 november 2009 – uitspraak
Bert zal het er wel niet mee eens zijn. De rechtbank heeft hem veroordeeld tot 24 maanden maanden celstraf waarvan 6 voorwaardelijk. Dat is een half jaar langer dan de eis.

De mens Mannus

De meeste mensen komen naar de rechtbank met problemen.
Wie op een dag op een willekeurig tijdstip naar de mensen in de hal met muren van grijs beton kijkt, naar de mensen die daar zitten te wachten op hun beurt, is dat ook wel te zien.
De meeste mensen staren maar wat voor zich uit.
Heel soms bladert eens een mens verveeld in een glossy tijdschrift dat de rechtbank er heeft neergelegd om het niet nog erger te maken.

Deze week was Mannus in het gerechtsgebouw.
Een groter contrast tussen alles wat glossy is of lijkt met de mens Mannus bestaat niet.

Er zijn verdachten die een strafblad hebben van wel 25 pagina’s lang.
In zo’n geval wordt over de verdachte gezegd dat hij een indrukwekkend strafblad heeft. Zo’n opmerking belooft doorgaans weinig goeds.
Mannus heeft een strafblad dat 66 pagina’s telt.

Hij is 51 jaar.
Toen hij zeven jaar was, verdween hij in een internaat.
En toen hij 18 jaar werd, oud genoeg om opgesloten te worden, zat hij prompt in de gevangenis.
Sindsdien is hij eigenlijk nooit echt vrij geweest.
In die zin mag het een wonder heten dat hij kans heeft gezien verslaafd te raken.

Mannus heeft de ergste dingen meegemaakt.
Hij heeft al eens TBR gehad, de voorloper van TBS.
In de zomer van 2006 werd hij veroordeeld tot de veelplegersmaatregel ISD, voor een diefstal in Norg.
Hij zat 24 maanden opgesloten, teruggetrokken in een sobere cel in de Grittenborgh in Hoogeveen.

Tegen de rechters zegt hij: ‘Het heeft niet veel zin meer mijn verleden op te rakelen om zo nieuwe therapieën te bedenken voor de toekomst.’

Iets later zal hij zeggen: ‘Maar ik moet toch wat.’
En: ‘Ik vind het een drama dat het toch weer mis is gegaan, dat ik weer vastzit.’

Een van de problemen van Mannus is dat hij de dingen niet meer weet.
Dat komt door de alcohol, het allergrootste probleem.

Begin dit jaar mocht hij de gevangenis weer eens verlaten en hij deed wat hij dan altijd doet: naar de eilanden.
Meestal vaart hij naar Terschelling, ditmaal naar Texel.
Even gaat het daar goed en kan hij de fles laten staan.
Maar dan ineens sneuvelt de ruit van de Wereldwinkel in het hartje van Den Burg.
Ze vinden Mannus kort daarna en maar iets verderop in lunch en dinercafé De Smulpot.

Rechters: ‘Heeft u dat gedaan?
Mannus: ‘Ja, ik denk wel dat ik het was, maar ik weet niet meer waarom.’

Drie weken later duikt hij op in de Wijkstraat in Appingedam waar hij eet zonder te betalen.
Daarna vertrekt hij naar Terschelling, het eiland waar hij het allerliefste is.
Het gaat goed tot de eerste verschijnselen van Oerol zich aandienen.
Mannus vindt dat veel te druk en besluit naar Groningen te gaan.

Hij vindt onderdak in het theehuisje op begraafplaats Selwerderhof.
Als hij op zoek gaat naar wat eetbaars (hij vindt ijs, tosti’s en bevroren appelgebak) gaat het alarm af.

Mannus vertelt: ‘Ik zat daar maar, vijf halve liters op. Ik zat daar op de begraafplaats mijn leven te overdenken. Ik was zo boos op mezelf. Daarom heb ik het theehuisje opengebroken. Ik wist dat er alarm op zat. Ik wilde dat de politie kwam.’

De politie komt ook en weer belandt hij achter de tralies.
Na tussenkomst van de rechter wordt hij geschorst uit voorlopige detentie. Hij gaat naar Leek, naar crisisopvang Den Eikelaar.

In augustus is daar een klein maar o zo illegaal feestje in de nacht.
Een gabberfeestje.
De gabbers zeggen dat hij zo uit het raam kan klimmen.
Op zich nergens voor nodig, vertelt Mannus aan de rechters, want als je daar weg wilt, doen ze gewoon de deur voor je open.

De advocaat van Mannus vermoedt dat de feestgangers hem hebben volgestopt met GHB en hem daarna hebben verleid tot de klauterpartij.
Zegt: ‘Ze waren uit op zijn mobiele telefoon en zijn mooie laptop.’

Eenmaal buiten, het is dan vroeg in de ochtend, brengen ze hem naar een bedrijventerrein en helpen hem over een hek.
Het is het terrein van het autobedrijf Hofman, classic en sportcars.
Een krantenbezorger ziet even later een kale man met oorbellen in een witte sportcar als een gek rondcrossen.

De rechters: ‘Het leek, als we het dossier moeten geloven, wel op een flipperkast, zo ging u tekeer.’

Mannus zegt dat hij vage herinneringen heeft. Dat hij in een auto zat, met allemaal gekke knopjes, dat hij er niks van snapte, dat hij sowieso niet kan autorijden. ‘Verder weet ik het niet, ik snap ook niet wat de bedoeling is geweest. Zou ik het weten, dan zou ik het aan u vertellen.’

Veertien klassieke auto’s raken beschadigd, de ravage is enorm evenals de schade.
Mannus heeft wel een kaal hoofd, maar geen oorbellen.
De advocaat zegt dat het dus ook net zo goed iemand anders kan zijn geweest in die witte auto. Een van de feestgabbers bijvoorbeeld. En dat die mobiele telefoon en de mooie laptop later inderdaad gestolen bleken.

Voor Mannus maakt het allemaal niet veel uit.
Er is toch niemand die weet wat ze met hem aanmoeten.
De reclassering sombert dat aan alle eerdere behandelingen vroegtijdig een einde kwam.

Mannus zelf zegt dat hij wel weet wat de oplossing is.
Hij moet van de drank afblijven.
Zegt: ‘Ik weet alleen niet hoe dat moet. Wist ik het maar.’

De reclassering denkt dat een nieuw langdurig verblijf in een sobere ISD-cel in Hoogeveen niets zal veranderen of het moet al averechts zijn.
Het beste voor Mannus zou een zorg-boerderij-achtige-setting kunnen zijn.
Of iets in een begeleide woonvorm.

De officier van justitie ziet geen andere mogelijkheid dan net als in 2006 de veelplegersmaatregel ISD te eisen.

Mannus zucht en zegt dat hij dan weer twee jaar teruggetrokken in een cel zal zitten. ‘En dat trek ik niet. Als ik dan vrijkom, ben ik 54 en geen stap verder.’

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 12 november 2009 – uitspraak
De mens Mannus komt geen stap verder: hij wordt voor de duur van twee jaar geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (isd).

Rare vrienden

boteringebrugHet was vet gezellig geweest en alleen daarom al werd het veel later dan was bedoeld.
Ze hadden Martini gedronken en bier en toen het feest was afgelopen, waren ze nog bij vrienden op bezoek geweest.
Trijntje zou die zaterdagavond na het stappen bij Ellert blijven slapen, dat was het plan.
Maar toen ze zondag vroeg in de ochtend eindelijk de woning van Ellert bereikten, kwam van slapen niks meer.

Trijntje bedacht zich ineens dat ze een afspraak had en dus direct weg moest.
Ellert zei, dan breng ik je wel even naar het station.
Met een beetje doorfietsen zouden ze haar trein nog wel kunnen halen.

Dus springt Trijntje bij Ellert achterop en spurten ze vanuit de Nieuwe Boteringestraat in Groningen richting het station.

Bij de kruising met Lopende Diep/Spilsluizen, staat op de Boteringebrug een auto stil.
Ellert remt wel een beetje af, maar denkt dat hij er nog wel langs kan.

Mooi niet dus.

Ineens trekt de auto op, slaat linksaf en een seconde later vliegt Ellert door de lucht en belandt Trijntje eerst op de voorruit en dan hard op de grond.

Iedereen schrikt zich een ongeluk.
De bestuurder van de auto denkt dat hij de schuldige is.
Weet ook niet meer helemaal zeker of hij wel richting had aangegeven.

Ellert belt 112 en even later wordt hij samen met Trijntje in een ambulance naar het ziekenhuis gebracht.
Weer iets later komt daar ook de politie.
Agenten ruiken dat Ellert heeft gedronken.
Op het politiebureau wordt een alcoholgehalte van 345 microgram per liter uitgeademde lucht vastgesteld.
De max wat mag is 220.

Trijntje is er slecht aan toe.
Er zit een scheurtje in haar schedel.

Dit gebeurde bijna een jaar geleden, op een zondagochtend om kwart voor acht.
Vanochtend zat Ellert in zittingszaal 14 in de verdachtenbank.
Trijntje zat als slachtoffer op de publieke tribune.
Ze heeft maandenlang moeten revalideren.
Beetje bij beetje gaat het nu weer.

Ellert draait er tegenover de rechters niet om heen.
Het is zo en zo is het gegaan.
De rechters willen weten of het een beetje zijn stijl is, zo hard fietsen.
Ellert beaamt dat.
De rechters: ‘Zo van, ik ben fietser, dus die auto’s stoppen toch wel.’
Ellert zegt: ‘Niet bewust, maar zo gaat dat wel een beetje in Groningen.’

Toen Trijntje in het ziekenhuis lag, heeft hij haar bezocht.
Daarna hadden ze nog regelmatig gechat en ook met elkaar gebeld.
Hij had ook zijn excuses aangeboden.
Ze zijn nog steeds vrienden, zij het dat hij is verhuisd naar Arnhem in verband met een ander studie.

De officier van justitie zegt dat een ongeluk in een klein hoekje zit en dat Ellert geen boef is. Maar dat hij wel roekeloos is geweest in de geest van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
Een misdrijf.
Niet dik, maar net, zegt de officier.
Hij eist een werkstraf van 50 uur.

Daarmee is de zaak niet afgedaan.
Trijntje wil ook geld zien.
Niet omdat ze haar vriend een poot wil uidraaien, maar omdat ze nu eenmaal wel schade heeft geleden.
In het ziekenhuis was haar truitje van 39,95 euro in stukken geknipt.
En er was een eigen risico van 95 euro.
En dan was er ook immateriële schade: 2.250 euro.

Een flink bedrag, maar zo is het wel, zei de officier van justitie.
Hij verzocht de rechtbank deze bedragen toe te wijzen.

De advocaat voert aan dat Trijntje na een nacht op stap toch echt zelf bij Ellert achter op de fiets is gekropen.
En dat zij haast had om de trein te halen en dat haar vriend daarom zo hard sjeesde.
En dat die auto stilstond, mogelijk geen richting aangaf en de situatie ter plekke ook wel een onoverzichtelijke is.

De officier zegt dat dat ook wel weer zo is.
De rechters moeten het maar beslissen.

Als de zitting is afgelopen en iedereen de zaal verlaat, blijf ik even kijken.
Ellert heeft zijn trui binnenstebuiten aan, overal labeltjes.
Trijntje is er met haar ouders.
Ze negeren elkaar, ze wisselen geen woord, zelfs geen ogenblik.

Toen dacht ik, wat een rare vrienden.

Rob Zijlstra

UPDATE – 12 november 2009 – uitspraak
Ellert hoeft niet voor straf te werken, maar mag twee keer een boete betalen. Eenmaal omdat hij roekeloos is geweest en eenmaal vanwege de drank. Voor het eerste moet hij 250 euro betalen, voor het alcoholpercentage 100 euro. De gevorderde schade is, zo vindt de rechtbank, te ingewikkeld om die af te handelen in een strafzaak. Wil Trijntje geld zien, dan moet ze naar de civiele rechter.

Registratie

zakIk zat dinsdag bij een strafzaak in zittingszaal 14 die me nu het avond is nog steeds door het hoofd spookt.

Het was geen leuke zaak.
Een man van 70 jaar en een vrouw van 64 jaar waren de verdachten.
Justitie verdenkt haar van bijstandsfraude, hem ook van een vorm van heling.
Hij woonde volgens de officier van justitie stiekempjes bij haar en genoot dus ook van haar voorzieningen als gas, water en licht.
Nu de rekeningen van deze voorzieningen zijn betaald met geld dat haar niet toekwam, heeft ook hij zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Justitie heeft een scheepslading vol bewijzen die niet zo eenvoudig zijn te weerleggen.
Beide hoorden vanmiddag een gevangenisstraf van een jaar tegen zich eisen.
Dat vind ik nogal wat.
Ik verwijs naar mijn verhaal onder dit verhaal.

Maar er is iets anders dat mij bezighoudt.
Een van de bewijzen die het openbaar ministerie aandroeg, was de vuilniszak.
Terwijl de 70-jarige Willem zegt dat hij in zijn huis woont, heeft hij in hele lange tijd slechts eenmaal een vuilniszak afgescheiden.
En dat is natuurlijk hartstikke raar en in dit verband ook verdacht.

Waar het om gaat is: hoe weten ze dat?

In Groningen wordt het huisvuil uit de huizen van de straat ingezameld in ondergrondse containers. Groningers hebben daarom pasjes waarmee ze de klep kunnen openen.
Eens was het de bedoeling om Groningers per zak of per kilo weggesmeten huisvuil te laten betalen.
Dat is er niet van gekomen.
Het enige nut van het pasje is dat het de klep opent voor inwoners van Groningen en voorkomt dat de boer’n uit de ommelanden er hun zak dumpen.
Zonder pasje blijft de klep gesloten: eigen zak eerst.

Maar er is meer aan de hand: het wordt ook allemaal geregistreerd.
En de registraties worden vervolgens ook nog eens bewaard.
Dat moet wel, want anders konden ze dat van Willem niet weten.

Dus ergens in Groningen houdt iemand bij wie waar en wanneer legaal een zak vol huisvuil weggooid.
Dan spookt het door mijn hoofd, zou zo iemand nou in een ondergrondse kelder werken of op een hoogste verdieping bij een gemeentelijke geheime dienst waarvan wij het bestaan niet weten?

Goed.
Er zijn mensen die hun vuilniszak geniepig in het donker naast de ondergrondse container zetten.
Omdat die te vol zit voor nog meer, of omdat de klep weer eens niet reageert op het pasje.
Wie dat doet, is strafbaar en begaat een milieudelict.
De milieupolitie gaat dan zo’n stinkende zak onderzoeken in de hoop aanwijzingen te vinden die duiden op een adres.
Met enige regelmaat moeten deze milieuvandalen zich voor de economische politierechter verantwoorden.

Maar Groningers die het wel keurig doen via de klep, worden, zo werd mij vandaag tijdens de strafzaak duidelijk, geregistreerd en die registraties worden als de politie daar om vraagt door de gemeente beschikbaar gesteld voor strafrechtelijk onderzoek.

Waarom?
Waarom wordt zoiets geregistreerd?
En bewaard?
En hoe lang?
Dient dat een doel?
Zo ja, welke dan?
En weten de Groningers dit wel?
Worden ze er op geattendeerd?
Hebben ze het al verteld aan de nieuwe burgemeester?

Ik wil het weten.
Ik ga het woensdag vragen.

Rob Zijlstra

UPDATE – 28 oktober 2009 – gevraagd
Ik heb het gevraagd (woensdag 10.00 uur).

De gemeente zoekt het nu uit. Ook heb ik de kwestie voorgelegd aan leden van de gemeenteraad. Die reageerden hoogst verbaasd. PvdA-gemeentreraadslid Arjan de Rooij (video) gaat via gebruikelijke wegen vragen gaan stellen aan de verantwoordelijk wethouder.

update (woensdag 22.30 uur)
Aan het einde van de woensdag heeft de gemeente nog geen opheldering verschaft. Iedereen vreselijk druk en druk en de verantwoordelijk wethouder is in  vergadering. Aan het einde van de middag, zeven uur nadat ik mijn vragen had voorgelegd aan een voorlichter van de gemeente, belde nog wel een andere voorlichter. Met de vraag wat mijn vraag was. Zo gaat dat. Donderdag, zo is mijn beloofd, komen de antwoorden. Ook het College Bescherming Persoonsgegevens buigt zich desgevraagd over de kwestie.

update (donderdag 11.45 uur)
De gemeente Groningen is nog steeds zoekende naar antwoorden. Er is nog niets gevonden. Een woordvoerder meldt dat naast wethouder Verschuren (sociale zaken) ook milieuwethouder Jannie Visscher is ingelicht. Geopperd wordt dat er wordt geregistreerd in verband met de bedrijfsvoering bij de milieudienst: die weten door alles vast te leggen wanneer de container vol is. Hartstikke handig dus.

De fractie van de PvdA heeft inmiddels vragen gesteld aan het college van B en W.

update (donderdag 17.40 uur)
Op het stadhuis wordt nog steeds volop onderzoek gedaan. Gekeken wordt naar de afspraken die destijds zijn gemaakt en wat aan de Groninger is toegezegd toen de vuilnispas werd ingevoerd. Pas daarna volgt een officiële reactie. De wethouder milieuzaken laat weten vanavond te zullen reageren.

update (donderdag, 20.23 uur)
De wethouder heeft gebeld. Heel verhaal (pdf).

update (dinsdag 10 november)
De rechtbank heeft gesproken >> fraude bewezen

De rechters vragen (‘mochten wij straks vinden dat u schuldig bent’) of ze een werkstraf zouden kunnen uitvoeren?
Hij zegt: ‘Als het moet. Als ik niet zwaar hoef te tillen of veel te lopen. Ik denk eerlijk gezegd dat ik meer een sta in de weg ben.’
Zij zegt: ‘Hangt er van af wat ik moet doen. Ik ben 33 jaar geleden afgekeurd vanwege de rug.’

Even later formuleert de officier van justitie haar strafeisen.
Ze zegt dat ze geen reden ziet af te wijken van de landelijke richtlijnen.
Dus niks werkstraf.
De officier van justitie eist tegen beide één jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Hij, Willem, is van 1939
Zij, Alie, van 1945.

Willem is altijd vrachtwagenchauffeur geweest en later chauffeur voor de zieke dieren, twee keer getrouwd geweest en gesteld op zijn eigen leven.
Alie heeft nooit gewerkt in loondienst, maar was vrijwilligster bij het Leger den Heils, ze was tot drie jaar geleden heilsoldate en bekommerde zich om de daklozen.
Alie houdt niet van de dingen die Willen leuk vindt, zoals klaverjassen, voetballen, bier en films met actie.
Zij houdt van ‘muziekjes’.

Ze hadden elkaar dertig jaar geleden ontmoet bij de sociale dienst.
Hij moest iets wegbrengen, zij had er een afspraak.
Ze woonden bij elkaar in de buurt.
Ze gingen koffiedrinken en zo werden ze vrienden.

Willem hoort slecht, zij ziet steeds minder.
‘We helpen elkaar een beetje’, zeggen ze tegen de rechters.
Zo doen ze samen boodschappen.
Zij wast voor hem en strijkt zijn overhemden.
Hij helpt haar met invullen van formulieren, handig omdat Alie dyslexie heeft.

In 1994 was bij de sociale dienst van de gemeente Groningen al eens een anonieme tip binnengekomen. Willem en Alie beduvelen de boel, luidde de kliktip.
Het werd uitgezocht, maar bewezen werd het niet.
De bestuursrechter – die kwam er aan te pas – zei dat de gemeente wel meer kon vertellen.

Dus dachten Willem en Alie dat het goed was en dat ze gewoon vrienden mochten blijven.
De officier van justitie zal dat later een kolderieke gedachte noemen.

Begin vorig jaar – dus veertien jaar later – kwam er alweer een anonieme tip.
Willem en Alie wonen stiekem samen.
De gemeente Groningen denkt van ‘hebbes’ en haalt Big Brother uit de kast.
Niet alleen de sociale recherche wordt aan het werk gezet, ook de politie.

Er komt een buurtonderzoek.
Buren van Willem en buren van Alie worden stevig ondervraagd.
De buren van Willem zeggen dat ze Willem nooit zien.
De buren van Alie zeggen dat ze Willem bijna altijd zien.

De sociale politie gaat in de bosjes liggen en noteert bijvoorbeeld dat het Willem is die ’s avonds vaak het hondje van Alie uitlaat.
Ze gaan ook stilletjes mee naar de supermarkt en leggen vast: Willem tilt de boodschappen.
Ze zien dat hij ook wel eens het voer van het hondje van Alie betaalt.
Ze zien ook dat Willen z’n auto vaak voor het huis van Alie staat.
En dat de drie auto’s die hij de afgelopen tien jaar had, wel op zijn naam hadden gestaan, maar op haar adres.
Ze vogelen uit dat Willem als sinds de jaren zeventig een machtiging heeft van de bankrekening van Alie.

Zij verstuurt ieder jaar kaartjes met de kerst.
En wat?
Ook zijn naam staat op het kaartje.

Ze ontdekken nog veel meer.
Dat Willem in zijn eigen huis nauwelijks water, gas en elektriciteit verbruikt.
Gezien het stroomverbruik zou hij de ketel van de cv nog geen jaar kunnen laten draaien.
Ze zien – want ze zien alles – dat Willem nooit vuilniszakken in de container gooit.
Dat kunnen ze zien aan de digitale huisvuilregistratie (echt waar).
Willem: ‘Ik werkte heel veel.’

Toen Willem een hartoperatie had ondergaan, had hij veertien dagen bij Alie geslapen, op het logeerbed.
Alie: ‘Ik heb hem verzorgd. Ik heb er nooit bij stilgestaan dat ik dat had moeten melden.’

Ze zien dat Willem en Alie wel eens samen op het balkon zitten.
Ze plaatsen een camera in de portiek van Alie’s flatwoning en zien Willem elf achtereenvolgende dagen komen en gaan op alle momenten van de dag.
Op de een of de andere manier zien ze ook dat Willem ’s avonds in de woning van Alie naar bed gaat en ’s ochtends op datzelfde bed weer wakker wordt.

Kortom: ze zien echt alles.

Maar Willem en Alie ontkennen dat ze samenwonen.
Ze zijn vaak bij elkaar, en helpen elkaar, maar houden hun huishouden gescheiden.
De 70-jarige Willem zegt dat het klopt, dat zijn telefoonaansluiting was aangesloten bij haar thuis. Dat kwam omdat hij lang voetbalscheidsrechters is geweest, nooit thuis, maar wel vaak werd gebeld.
Dan kon Alie mooi de telefoon aannemen.

De 64-jarige Alie zegt dat het vreselijk was, toen er begin dit jaar ineens een arrestatieteam van vijf man voor haar deur stond.
Na verhoor moest ze naar het cellencomplex.

Uitgerekend is dat zij de sociale dienst sinds 1998 voor 137.000 euro heeft benadeeld. De periode voor 1998 is verjaard.
Het geld moet ze terugbetalen.

Ze is nu bij de voedselbank.
Ja, Willem brengt haar daar heen, want geld voor de bus heeft ze niet meer.
Omdat haar uitkering voor straf drie maanden werd stilgelegd, heeft ze een huurachterstand, moet ze een deel van genoten huursubsidie terugbetalen en zo gaat het maar door.

De officier van justitie denkt dat ze meer dan bewijs genoeg heeft.

Alie is een fraudeur die geen enkele verantwoordelijkheid neemt, want nog altijd doet ze bijvoorbeeld boodschappen met Willem.

En Willem is geen haar beter, zegt justitie.
Hij heeft van haar frauduleuze handelingen genoten.
Hij maakte immers gebruik van de in de woning van Alie aanwezige voorzieningen als gas en elektriciteit, voorzieningen die werden bekostigd met geld dat Alie ten onrechte kreeg.

Ik kijk naar Willem en Alie die volgens mij nauwelijks lijken te beseffen wat hen boven het hoofd hangt.
Omdat ze er misschien wel echt van overtuigd zijn dat ze nooit iets fout hebben gedaan.
Het lijken mij eerlijk gezegd ook geen mensen voor in de gevangenis.

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 10 november 2009 – uitspraken

De rechtbank acht de fraude (door middel van valsheid in geschrifte) bewezen. De rechters baseren het oordeel op tal van bewijzen: het extreem lage water – en stroomverbruik,  de vuilniszakkenregistratie van de gemeente Groningen, verklaringen van buren en waarnemingen van de politie (ze doen samen boodschappen, hij laat haar hond uit en beschikt over de sleutel van haar woning). Oftewel het stel woonde samen, maar deden alsof ze een gescheiden huishouding voerden. Daarmee hebben ze de gemeenschap voor 137.000 euro getild.

Een jaar celstraf gaat de rechtbank te ver. De man en vrouw zijn veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en vier maanden voorwaardelijke celstraf.


Hollandse jongen

Hakim is een Hollandse jongen van 21 jaar, geboren en getogen in Rotterdam.
Het leven heeft hem hier tot nu toe vergeten.
Dat is hem ook wel aan te zien.

Tegen de rechters zegt hij, geëmotioneerd, dat hij niets met criminaliteit te maken wil hebben.
Dat hij een goeie jongen is, dat had hij ook tegen de politie gezegd.
Dat hij nu in de verdachtenbank zit komt door Yousef.
Uitgerekend Yousef, zijn beste vriend.

Yousef (19) zit naast hem, ook de verdachtenbank.
Yousef, zegt Hakim, spreek niet de waarheid.
Yousef kijkt somber voor zich uit.
Zegt niks.

Samen waren ze in juli dit jaar naar Groningen gereden.
Hij was Yousef op straat in Rotterdam tegengekomen. Yousef had gevraagd of hij zin had mee te gaan naar Groningen, om te chillen.
Hakim was naar huis gerend, was onder de douche gesprongen en had een extra broek meegenomen, want ze zouden ook in Groningen blijven slapen.

De lagere school had Hakim zonder problemen doorlopen.
Toen hij 11 jaar was, ging hij bij zijn opa en oma wonen en later bij een tante.
Zijn ouders waren met broertjes en zusjes naar Frankrijk vertrokken, in de hoop daar wel een verblijfstitel te krijgen.
Hakim zou zich misschien wel alleen redden.

Op de middelbare school ging het fout, in de zin van niet goed.
Hij strandde in de tweede klas en werd een jongen van de straat.
En daar kwam hij dus Yousuf tegen.

Yousef heeft een ander verhaal.
Ze hadden samen een plan bedacht.
Ze zouden samen investeren en dan een lijn opzetten tussen Rotterdam en Groningen.
Heroïne, cocaïne.
Beide legden 1400 euro in.
Ze kochten groot in en reden toen Hakim klaar was met douchen naar Groningen.

Via via hadden ze contact gelegd met ene Geert uit de Begoniastraat.
Bij hem konden ze slapen.
Geert is een goede bekende van de buurtagent.
Die had de woning van Geert – drugsgebruiker – al langere tijd op de korrel vanwege aanhoudende loperij en klachten daarover.
Toen agenten een bezoekje brachten aan Geert, zagen ze de achterdeur openstaan.
Dat vonden ze nogal verdacht.

Nog verdachter was dat ineens ook de auto die voor de deur stond, wegreed.
De auto werd klemgereden en Yousef en Hakim moesten mee naar het bureau.
Ze hadden 121.3 gram heroïne en 64,8 gram cocaïne in bezit.

Yousef legde een bekentenis af.
Hakim niet.
Hij zegt: ‘Ik heb er niks mee te maken. Ik heb nog nooit 1400 euro bij elkaar gezien. We zouden chillen. Pas in Groningen zag ik dat Hakim drugs bij zich had. Ik zei nog, wat doe je met die drugs?’

De rechters vragen waarom Yousef, toch zijn beste vriend, hem dan beschuldigd?
Hakim: ‘Ik weet het niet. Maar als ik 1400 euro had, zou ik er eten van kopen, en kleren.’

Yousef blijft zwijgend voor zich uitstaren.
De rechters vragen ook niet aan hem of het waar is, dat hij heeft gelogen over zijn vriend.

Yousef zegt dat hij zijn lesje wel heeft geleerd.
Hij was pizzabezorger in Rotterdam.
Nu wil hij net als zijn broer worden. Die had eerst ook gedoe met justitie, maar nu heeft zijn broer een vaste baan. Als hij straks vrijkomt, wil hij dat ook, een normaal leven.
Overdag werken en ’s avonds sporten, dan kan hij zijn foute vrienden ook niet tegenkomen.
Zegt: ‘Ik wil mijn ouders laten zien dat ik het kan. Honderd procent.’

De kans dat Hakim een normale toekomst vol werk en sport krijgt, is klein.
Hij had eens een autoruit vernield en toen iets uit die auto gehaald.
Nu is hij, hoewel hier geboren en getogen, een ongewenste vreemdeling.

Hakim zegt dat hij een geboorteakte heeft en een Burger Sofinummer.
Tegen de rechters: ‘Ik ben Nederlander.’
De bureaucratie wil anders: hij heeft geen verblijfsvergunning.
Eigenlijk is hij wel, maar bestaat hij niet.
Als Hakim zijn straf heeft uitgezeten, moet hij weg, het land uit, dan moet hij naar Marokko.
Niet terug.
Hakim, bijna in tranen: ‘Ik ben nog nooit in Marokko geweest.’

Vriend Yousef zegt nog steeds niets.
De officier van justitie gelooft hem en zijn bekentenis wel.
En zij gelooft geen snars van het verhaal van Hakim, met zijn ontkenningen.

Yousef hoort tien maanden celstraf eisen wegens de handel in drugs. Daarvan zijn twee maanden voorwaardelijk, als stok achter de deur die ervoor moet zorgen dat hij straks ’s avonds ook echt naar de sportschool gaat.

Hakim heeft ondanks de ellendige vooruitzichten nog één sprankje hoop.
Hij heeft een vriendin, zij is Griekse.
Zegt: ‘Als ik vrijkom, pakken we de auto en dan rijden we naar Griekenland. Dan ga ik daar wonen en werken.’

De officier van justitie, een beetje spottend: ‘Naar Griekenland. Hij zegt het. Maar we gaan hier afrekenen. Acht maanden gevangenisstraf.’
Niks voorwaardelijk, want een stok achter de deur is voor hem die eigenlijk niet is en hier ook niet blijft, overbodig.

Rob Zijlstra

 

UPDATE – 9 november 2009 – uitspraken
Hakim en Yousef zijn schuldig, oordeelt de rechtbank. Wat de straf betreft mag het een onsje minder. Yousef krijgt acht maanden celstraf waarvan vier voorwaardelijk opgelegd, Hakim moet zes maanden zitten.

Operatie Flamingo

Je kunt het ook anders bekijken: omdat Jamie het niet laten kan, zit Max nu in de gevangenis op verdenking van het maken van kinderporno.
Niet eerder stond iemand als verdachte voor de rechtbank in Groningen terecht voor zo’n feit.
Het is met kinderporno net als met drugs.
De kruimelaars hangen gemakkelijk, de grote vissen blijven bijna altijd buitengaats.

Ook Danny is aan de beurt, eveneens met dank aan Jamie.

Het zou ongeveer als volgt zijn gegaan.
Jamie is op de dag van de arbeid op bezoek bij Danny.
Staand op het balkon krijgt hij oogcontact met het meisje van de buren.
Jamie swaffelt er lustig op los – wat zo is hij nou eenmaal – en probeert met andere gebaren het meisje te verleiden haar shirt omhoog te trekken.
Dat ziet de moeder van het meisje.
De moeder belt de politie.

Politie komt kijken.

In de woning van Danny vinden agenten verdacht materiaal, materiaal dat riekt, riekt naar kinderporno.
Er wordt nader onderzoek ingesteld onder de codenaam Flamingo.
Serieuze politieonderzoeken krijgen in Groningen vogelnamen.
En Flamingo is niet opgetuigd vanwege een swaffelende man op een balkon.

Er is meer aan de hand.

Telefoons worden afgeluisterd en dan komt ene Max in beeld.
Danny is van hier, Max en Jamie zijn Engelsmannen die in Groningen wonen.
Eind mei worden ze alle drie aangehouden.

Danny en Max moeten later terechtstaan.

Eerst Jamie dus.
Hij werd na zijn arrestatie (eind mei) op 3 augustus vrijgelaten uit de gevangenis.
Hij kreeg op die dag een buskaartje en kon zomaar vertrekken, hij snapte d’r niks van.
Om zijn herwonnen vrijheid te vieren, toog hij naar het Hoornsemeer en greep daar de zaak met beide handen aan.
Twee meisjes zagen het.

Tegen de rechters zegt Jamie dat het een ‘cry for help’ was.
Hij kreeg van de een op de andere dag een kaartje voor de bus.
Ineens zomaar vrij, dat was heel verwarrend.

De rechters vragen: ‘Waarom moest het meisje van de buren haar shirt omhoog doen?’
Jamie: ‘Moest van Danny.’
Rechters: ‘Wat was de bedoeling?
Jamie: ‘Danny wilde dat het meisje naar zijn huis kwam.’
Rechters: ‘En dan?’
Jamie: ‘Danny wilde haar dan vastbinden.’
Hij zegt het alsof het om een rammelend hek gaat dat even vastgezet moet worden.

De rechters vragen niet door.
Danny en Max moeten later terechtstaan.
Die ellende komt dus nog.

Jamie.

Behalve schennispleging op het balkon en aan het meer, wordt hij verdacht van aanranding van de eerbaarheid.
Jamie verhuurde een kamer in zijn woning, aan studentes, eerst aan Geke, toen aan Tineke met haar vriendje Jaap.
Tineke werkte ook als caissière bij de supermarkt.
Op een dag kwam Danny er iets kopen.
Tijdens het afreken zei hij: ‘Weet je wel dat Jamie gluurt met camera’s?’

Tineke wist dat niet.
Ze belt vriendje Jaap en samen gaan ze op onderzoek.
Resultaat: een camera achter het aftimmerhout in hun kamer en eentje verstopt in de badkamer.
Op de slaapkamer van Jamie ontdekken ze dat de camera’s ook werken, dat beelden van onder de douche en van hun bed op het videokanaal van zijn tv-toestel te zien zijn.

Bij Tineke valt dan het een na het andere kwartje.
Dus daarom mocht ze de vogelklooi nooit op het tafeltje zetten.
Dan zei Jamie, Tineke, niet doen, dan bezwijkt het tafeltje.
Nu weet ze: het kooitje stond de camera in de weg.
Met afgrijzen: hij, van wie wij dachten dat het onze vriend was, heeft alles kunnen zien.
Dus ook echt alles.

Nu zijn ze bang dat ze vroeg of laat intiem opduiken op het internet.

Jamie zegt dat dat niet kan, dat er niets is opgenomen.
Die camera’ s waren er in verband met inbrekers.
Hij handelde op eBay, moesten de rechters weten, waar hij spullen koopt en verkoopt.
Dure spullen ook, dus beveiliging was noodzakelijk, helemaal na die inbraak.
Maar toen ging hij zijn eBay-kamer verhuren.
Eerst aan Geke, toen aan Tineke met haar vriendje Jaap.
Nou, en toen was hij die camera’s helemaal vergeten.

De rechters geloven d’r niks van.
Dat zeggen ze niet, maar je kon het zien.

Jamie vertelt nog dat het Danny was die het spul bij hem thuis had geïnstalleerd.
Danny heeft daar veel verstand van.
Danny werkt in de branche, eerst op de afdeling camera’s, later, na zijn promotie, bij de televisies.
Hij nam de benodigdheden mee van zijn werk.

De gedragsdeskundigen zijn niet dolenthousiast over Jamie.
Hij denkt niet na, zegt de een, hij denkt alleen aan directe behoeftebevrediging.
Hij is ook ontheemd.
De ander: hij stelt zich onbehandelbaar op.
Intensief toezicht is noodzakelijk.
Beide schatten in: kans op herhaling is 99 procent.
Jamie is immers al twintig jaar actief als zedenpleger.

De derde deskundige, de psychotherapeute met wie Jamie het supergoed kan vinden, zegt tegen de rechters dat Jamie nog heel lang psychotherapie nodig heeft.
Want, zegt de psychotherapeute, zijn bewustzijn is gefragmenteerd.
Als de therapeute met wie Jamie het goed kan vinden dat zegt, schudden de twee andere deskundigen afkeurend van nietes.

De officier van justitie zal niet veel later zeggen dat de deskundigen het niet met elkaar eens zijn en dat er misschien nog maar eens een vierde deskundige naar Jamie moet kijken.
Misschien is Jamie wel een slimme man die ons allen om de tuin leidt.
Als de rechters nader onderzoek geen goed idee vinden, dan moet Jamie tien maanden de gevangenis in.
Plus nog eens vijf maanden voorwaardelijk, gekoppeld aan een proeftijd van acht jaar.
Acht jaar proeftijd komt zelden voor, meestal is het standaard twee.

Ik schreef over deze rechtszaak een stukje voor in de krant.
Toen belde de radio.
Of ik even de namen wilde doorgeven van de begluurde studentes.
De radio-collega’s vonden de kwestie wel geinig en wilden er voor de radio amusement van maken.

Ik heb geen namen doorgegeven, want volgens mij zit de radio op de verkeerde golflengte.
Het gaat niet om vermaak.
Operatie Flamingo gaat om Max en Danny.
En misschien wel om de verborgen camera’s van Jamie.

Want waarom zouden grote volwassen mannen een buurmeisje van tien jaar oud willen vastbinden?

Rob Zijlstra

UPDATE – 5 november 2009 – uitspraak
Dat Jamie de camera’s was vergeten, zoals hij zei, mag te denken geven, feit is – aldus de rechtbank – dat er geen bewijzen zijn dat hij met die camera’s opnames heeft gemaakt. Daarom moet vrijspraak volgen. Wel is Jamie veroordeeld voor een poging tot ontucht (het gedoe op het balkon) en voor het plegen van schennis (twee maal). Hij kreeg een gevangenisstraf van 137 dagen waarvan 70 voorwaardelijk. Dat is de tijd die hij al in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast kreeg hij twee maanden celstraf (om te zetten in 120 uur werken) die hij bij een eerdere veroordeling voorwaardelijk opgelegd had gekregen.

>> het vonnis (rechtspraak.nl)

Uitspraak

Er gaat geen week voorbij of het gaat wel ergens over.
Zo was het nog maar net de week van de democratie,
onlangs de week van de smaak, zijn er weken van allerlei
akelige ziekten, bloembollen, boeken en vinyl en ook
de week van de zee bestaat echt.
Het is aandachtvragerij.
Daar is niks mis mee.
Over twee weken begint de week van het recht.

week van het recht

.

.

Begin deze maand hield mr. G.J.M. Corstens, hij is de president van de Hoge Raad, een lange voordracht over vertrouwen in de rechtspraak.
In die voordracht vraagt Corstens zich af hoe rechters moeten omgaan met veranderingen in de samenleving.
Rechters vragen zich dat al een hele tijd af.
Zij spreken dan van De Kloof en dan bedoelen rechters dat het vertrouwen dat de samenleving heeft in de strafrechtspraak afkalft.
Omdat de samenleving bijvoorbeeld roept dat die slappe slome rechters met hun veel te lage straffen niet meer van deze wereld zijn.

Het is een serieus probleem, schetst Corstens, omdat rechters hun werk alleen goed kunnen doen wanneer zij vertrouwen genieten.
Komt dat vertrouwen in de buurt van het vriespunt, dan dreigt de samenleving voor eigen rechter te gaan spelen.
Uitgerekend dat is nou net niet de bedoeling van het strafrecht.

Corstens schetst zijn ideaal: ook al vindt de borreltafel een uitspraak knap waardeloos, dan nog zou dat het gezag van de rechter niet moeten aantasten.
Eens was er zo’n mooie tijd, sombert de president.

De afname van het vertrouwen heeft oorzaken.
Corstens noemt er drie.
Populistische politici (1), hijgerige journalisten (2) en rechters (3) die hun werk wel goed doen.

Er zijn politici die ieder incident uitbuiten om de onderbuik te voeden.
En voor journalisten met hun hijgerig geschrijf is de strafrechtspleging een dankbaar onderwerp omdat die garant staat voor controverses en spanningen, denkt Corstens hardop.
Hij zegt dit niet helemaal zo, maar dit bedoelt hij wel.

De derde boosdoener is de rechter zelf.
Dat wil zeggen, de rechter doet zijn moeilijke werk best goed, alleen schort het aan de presentatie.
Om te voorkomen dat Nederland straks 17 miljoen eigen rechters telt, moet het verloren gezag worden herwonnen.

Corstens weet ook hoe.
Een rechter moet niet de oren laten hangen naar ferme opvattingen in de samenleving (fors hogere straffen, geen taakstraffen meer).
Soms moet hij vrijspreken als de samenleving een veroordeling eist, dan weer moet hij veroordelen als krachten in de samenleving maar blijven roepen dat er sprake is van een rechterlijke dwaling (Lucia de B., Deventer moordzaak).

De oplossing van de president: een betere communicatie.

Rechters moeten hun beslissingen beter motiveren, zij moeten ook beter aan de samenleving uitleggen waarom ze een bepaalde beslissing hebben genomen.
In heldere taal, opdat ook niet-juristen het snappen.
Rechters moeten zich daarbij steeds afvragen wat de impact van hun beslissing is of kan zijn.
En ook hoe de lelijke pers zal reageren.

Uitgangspunt bij dit afvragen moet echter blijven dat rechtvaardigheid het richtsnoer is en niet het gemor in de straat.

De morrende straat moet zich namelijk wel even realiseren dat rechters, juist de rechters, als geen ander te maken hebben met fraudeurs, dieven, oplichters, verkrachters en moordenaars. Dus om nou te beweren dat rechters maar wereldvreemde snuiters zijn, gaat niet op.
Rechters kennen de zelfkant van de samenleving maar al te goed.

Tot zover, in vrije vertaling, de president.

Hij hield zijn voordracht op het jaarcongres van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de beroepsvereniging en vakbond voor rechters en officieren van justitie (ja, die bestaat en zij zitten bij elkaar in één club).
De president zal ongetwijfeld een zaal vol bedachtzame mannen en vrouwen hebben toegesproken die misschien na afloop wel applaudisseerden.
Het was ook zo’n toespraak waar niemand het eigenlijk mee oneens kan zijn.

Terug naar zittingszaal 14, naar de dagelijkse praktijk.

Op een vast tijdstip in de week doet de meervoudige kamer (van een rechtbank) uitspraak in strafzaken die twee weken eerder op zitting zijn behandeld.
Er worden op zo’n vast tijdstip twee, vier, vijf, acht vonnissen uitgesproken.

Soms is de verdachte daarbij aanwezig, maar meestal niet.
Soms is de advocaat er, maar ook lang niet altijd.
Vaker is de zittingszaal leeg.
Met een beetje geluk zit er eenzaam een rechtbankverslaggever die luistert.

Het vonnis wordt nooit helemaal voorgelezen.
Dat is met vijf, zeven of elf A-viertjes tekst ook niet zo praktisch.
Meestal wordt kort gemeld welke feiten wel en niet zijn bewezen, hoe de bewezen feiten worden gekwalificeerd (poging tot doodslag of toch een eenvoudige mishandeling) en vervolgens welke straf de rechtbank passend en geboden vindt.

Er zijn rechters die hier een vlot en een mooi samenhangend verhaal van kunnen maken, er zijn ook rechters die zich hakkelend door het vonnis heen worstelen, er blijk van geven de zaak inhoudelijk niet te kennen en vergeten te vermelden dat een deel van de straf voorwaardelijk is opgelegd.

Op deze manier worden in tien minuten tijd twee, vier, vijf, acht vonnissen soms bondig uitgesproken en dan weer hakkelend afgeraffeld.

De rechtbankverslaggever die luistert vindt dat niet erg; over tien minuten begint immers de volgende strafzaak.
En wil hij van de hoed en de rand weten, dan belt hij de drukke voorlichter die het vonnis best voor sluitingstijd op papier naar de perskamer wil brengen of eventjes op de mail zet.

Zo gaat dat.
En zo ook verdwijnen de meeste vonnissen van een meervoudige strafkamer ongelezen in de archieven van de rechtbank.

Straks begint de week van het recht.
Rechters gunnen de samenleving dan een kijkje in hun keuken.
Dat is hartstikke mooi

Maar het zou na zo’n week nog mooier zijn dat rechtbanken hun vonnissen op een heel toegankelijke wijze publiceren op bijvoorbeeld rechtspraak.nl.
Dat is al hun eigen site.

Nu doen rechtbanken dat soms, willekeurig en meestal niet.
De rechtbank van Groningen – als voorbeeld – publiceerde dit jaar vijf (5) van de in totaal 260 uitspraken van de meervoudige strafkamer.

Rechters kunnen, zoals Corstens bepleit, wel beter uitleggen en nog veel beter motiveren, maar als er (bijna) niemand is die luistert, is het als water naar de zee dragen.
Ook betere communicatie wordt dan niet verstaan.

Rob Zijlstra

 

UPDATE - 30 oktober 2009 – aanvulling
De rechtbanken in Groningen en Assen hebben in reactie laten weten dat er meer uitspraken zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl dan ik in mijn verhaal vermeld. Dat is correct. Met een beetje doorklikken op de deelsites van de rechtbanken verschijnen meer vonnissen. In die zin ben ik een beetje te kort door de bocht gegaan. Mijn punt blijft echter dat uitspraken op een weinig toegankelijke wijze worden gepubliceerd en dat wat er wordt gepubliceerd niet volledig is.


Oudere Berichten »